Het mysterie Erik Breukink in grote eendagswedstrijden

In tijdritten kan hij iedereen de baas zijn, in etappekoersen eindigt hij regelmatig vooraan, in bergritten rijden ze hem er niet niet gauw af, maar in grote eendagswedstrijden wint hij nooit. Een paar jaar geleden, herinnert hij zich, was hij eerste in de Omloop van het Waasland. Maar dat is een uitzondering. Erik Breukink geniet niettemin zondag in het wereldkampioenschap een beschermde rol in de Nederlandse ploeg. Alsof bondscoach Gerrie Knetemann en Breukinks teamgenoten erop vertrouwen dat eens de Grote Dag in het leven moet komen.

STUTTGART, 23 AUG. Erik Breukink mist de mentaliteit die winnaars eigen is, een "killersmentaliteit'. Hij verliest sprintjes, lijkt anderen als een heer voor te laten gaan, lijkt de wil te missen om echt te winnen. “Hij is niet het karaktertype”, zegt de assistent-ploegleider Ferdi van den Haute van PDM. “Hij mist een beetje venijnigheid”, vindt bondscoach Knetemann. “Ik ben niet impulsief genoeg, niet explosief”, oordeelt Breukink zelf. “Maar je moet niet schrikken als hij wereldkampioen wordt”, onderstreept Knetemann zijn vertrouwen in het troetelkind van het Nederlandse wielrennen. “Ik was aanvankelijk net zo'n type. Totdat je weet hoe het gaat. Dan krijg je vertrouwen en gaat het je gemakkelijker af.”

Van den Haute heeft in zijn loopbaan als actief renner nog met Breukink samengereden in de Skala-ploeg. “Hij viel gewoon niet op, hij wilde niet gezien worden. Het is zijn zachte karakter, zijn opvoeding. Beleefdheid mag in de topsport nooit zover gaan dat je een ander de zege gunt. Maar hij wordt agressiever. Je ziet het aan zijn reacties in de laatste periode. Hij reageert geprikkeld op mensen die hem hebben pijn gedaan. Hij gaat nog een coureur worden. Kijk naar Criquielion, nadat die wereldkampioen is geworden, ging hij meer winnen.”

Breukink (27) ziet er geen probleem in dan hij in belangrijke eendagswedstrijden (klassiekers of weredlkampioenschappen) nog niet heeft gewonnen. “Er kan één dag zijn dat je wel wint. Dhae nens was wel een klassiekerspecialist, maar won nooit meer dan links en rechts een ritje. Ineens was hij wereldkampioen. Hoewel ik weet dat er renners zijn die van nature beter zijn in zo'n wedstrijd, bereid ik me zo goed mogelijk voor op een wereldkampioenschap. Die keren dat ik meedeed was ik altijd goed en had ik kans om te winnen. Dat houdt je op de been.”

Hij weet dat hij meer explosiviteit in zijn beenspieren en in zijn karakter zou moeten hebben. Op het eerste zou je nog kunnen oefenen, het tweede valt nauwelijks te veranderen. Of misschien, zoals Van den Haute memoreert, een keer zo vernederd worden als LeMond door Hinault en of een keer op het randje van de dood balanceren zoals LeMond na diens jachtongeluk. Zo getergd raken, zo'n vaste wil ontwikkelen, geen ansgt meer hebben, dat je twee keer de Tour wint en wereldkampioen wordt. Als om te bewijzen dat je ten onrechte bent afgeschreven.

De vergelijking gaat mank. Breukink zou na zulke momenten in zijn leven uit de sport zijn gestapt. Zoals hij vorige week op het punt stond bij PDM weg te gaan omdat hem het beleid van de ploeg inzake de bacterie-affaire niet aanstond. Breukink legt zich neer bij zijn "beperkingen'. Hij analyseert: er zijn renners die kunnen sprinten, renners die kunnen tijdrijden, renners die kunnen klimmen en renners die bevoorrecht zijn om een eendagwedstrijd te winnen. Als het er maar eerlijk aan toe gaat. Want in de samenleving hoort alles eerlijk verdeeld te zijn. Ieder zijn deel.

“Explosiviteit heb je nodig in bijvoorbeeld Luik-Bastenaken-Luik, de Waalse Pijl of een wereldkampioenschap, waarin een korte beklimming vijftien maal genomen moet worden. Dat zijn korte, steile klimmetjes. Daar fietsen ze meestal in een felle sprint tegenop. Dat kan ik niet. Ik heb meer dat gelijkmatige. En dan kom je meer bij etappekoersen. Ik kan vrij lang constant hard rijden, in tijdrittten maar ook in de bergen.

“Dat is een kwestie van hoe je lijf in elkaar steekt. Je ziet het aan een klassiekerrenner. Die kunnen in een ronde een paar dagen goed rijden. Dan zijn ze opgebrand. In een eendagswedstrijd is het tempo op een klimmetje net iets te hoog. Als de beklimmingen niet twee of drie kilometer zijn maar tien tot vijftien dan is het tempo minder hoog. Dat is voor mij beter.

“Ik kan Luik-Bastenaken-Luik best winnen of een wereldkampioenschap. Alleen als ik zie hoe er vaak wordt gewonnen. Van Lancker rijdt zomaar weg en wordt niet meer teruggehaald. Hij wint de Amstel Goldrace en is er doorheen. Het jaar daarop wint hij Luik-Bastenaken-Luik, een jaar later de Wincanton Classic. Maar als ik met Argentin meeben kan ik het vergeten. Ik ben misschien een betere klimmer. Maar hij rijdt bij de eerste klim al zo hard weg dat ik hem nooit meer terugzie. Bij een langere klim krijgt hij op den duur moeilijkheden en ben ik beter.”

“Voorlopig ben ik toch een typische ronderenner. Dat zijn renners die groeien in een ronde. Die weten dat ze in conditie groeien en steeds beter worden naar mate de dagen vorderen. Ronderenners zijn geduldiger. Dat heeft mogelijk met zijn karakter te maken. Ze kunnen hun krachten over twee, drie weken verdelen. Als het niet vandaag niet gaat, sparen ze hun krachten voor de volgende dag. Ze verstaan de kunst niet door een slechte dag gedeprimeerd te raken. Typische eendagsrenners gooien al hun emotie en energie in die ene dag, die ene wedstrijd, de ene demarrage. Wij moeten het spreiden. Als ik een ronde vandaag 120 procent geef, me forceer, ben ik morgen misschien maar zestig procent.”

“Ik verlies ook sprintjes. Wat ook met explosiviteit te maken heeft. Ik ben dus geen winnaar? Maar ik win wel tien wedstrijden per jaar. Is dat dan geen winnaar? Ik win zeven tijdritten en een sprinter zeven massasprints. Dat ik geen eendagswedstrijden win, komt waarschijnlijk omdat ik nog niet de behoefte voel om die winnen. Ik heb nog tijd genoeg. Criquielion, Kuiper en eigenlijk ook Van Lancker waren eerst ronderenners. Toen dat geen overwinningen opleverde zijn ze zich gaan toeleggen op klassiekers. En die wonnen ze ineens wel. Mis schien besluit ik over een paar jaar wel mijn specialiteit te verleggen als ik niet de Tour of de Giro heb kunnen winnen.”

Breukink is uniek. Van alle grote toppers, waartoe hij getuige het puntenklassement gerekend mag worden, heeft hij nog nooit een eendagswedstrijd gewonnen. Zelfs Rooks won Luik-Bastenaken-Luik twee maal, de Amstel Goldrace eenmaal en hij werd Nederlands kampioen. Theunisse, allerminst een winnaarstype, won de klassieker San Sebastian-San Sebastian en een belangrijke Tour-etappe, op Alpe d'Huez.

“Rooks en Theunisse hebben nog nooit een tijdrit gewonnen”, relativeert Breukink het probleem wat voor hem geen probleem is. (Rooks won in de Tour van 1989 een bergtijdrit). “Maar goed ik ben zeker niet zo compleet als Bugno of zoals Hinault en Merckx. Ik ben eerlijk gezegd nog nooit in eendagswedstrijd gestart met de wil om te winnen. Ieder wereldkampioenschap probeer ik zo goed mogelijk te rijden. En ik rijd ze ook goed. Ik ben er nu geestelijk behoorlijk mee bezig. Ik ben dan wel niet in goede doen, maar dat kan op een wereldkampioenschap ineens anders zijn. Twee jaar geleden was ik in de Tour uitgevallen. Ik wilde me zelfs voor het WK terugtrekken. Knetemann heeft me toen overgehaald en ik reed in Chambéry heel lang van voren.”

“Maar misschien is de wil om me na de mislukte Tour te revancheren wel even te groot geweest. Ik heb de eerste weken boven mijn macht gereden. En dat heb ik in de Ronde van Nederland moeten bekopen. Het was erg wisselvallig. In de tijdrit had ik geen kracht. Het lichaam werkt niet mee met het hoofd. Door veel te rusten en rustig te trainen wordt het beter, hoop ik. Een Tour uitrijden is toch belangrijk voor je conditie en je ritme. Kijk maar naar de uitslagen van de laatste weken. Het zijn de renners die de Tour reden, die winnen. Ik heb een dubbele tegenslag in feite. Ik reed de Tour niet uit en had nog twee weken nodig om van die ziekte te herstellen. Dat komt hard aan, dat is een dubbele achterstand op de rest.”

Vooralsnog is Breukink tevreden met zichzelf. Jaloezie kent hij niet ten opzichte van andere renners. “Ik geef toe dat ik wel iets meer sprintkracht in mijn benen zou willen hebben. Maar dat dat kun je wegstrepen tegen wat anderen denken over mij: die zouden willen dat zij zo'n tijdrit in de benen hadden als ik.” Dromen van een grote overwinning doet hij niet. Ook niet van een wereldkampioenschap. Het moet meezitten. “Met alleen een winnaarsmentaliteit word je geen wereldkampioen.”