Heel Nederland komt kijken in de Kalverstraat

De duurste straten ter wereld in het Monopoly-spel zijn dat in werkelijkheid niet altijd. Onze verkenningstocht langs peperdure winkelpromenades, -plein en -boulevards voert vandaag door de Kalverstraat in Amsterdam, waarvan het karakter vaak is veranderd, maar waaruit het leven nooit is verdwenen.

AMSTERDAM, 23 AUG. De Kalverstraat in Amsterdam heeft maar één probleem: het is er altijd te druk. Er staan mannen met zingende zagen, rammelkalebassen, dwarsfluiten, gitaren, dodenmaskers en gebogen ijzerdraad, bij de Takkebossensteeg verkoopt een oud meisje ballonnen zo groot als een Fiat 500 en in de winkels kan het niet op. De uitstalkasten hangen vol spijkerbroeken, afgeprijsde CD's, ingenieuze hengeljacks, plaatwerken over 17e eeuwse ambachten, geavanceerde polshorloges en affiches van een kussend paar voor een Parijs' terras, de menigte golft als een eb- en vloedstroom de winkels in om het allemaal te kopen en heel Nederland komt kijken.

“Er is maar één straat in Amsterdam waar mensen tot uit Friesland en Brabant komen winkelen, en dat is de Kalverstraat”, zegt Willem Koster, directeur van de gerenommeerde modezaak De Bonneterie en voorzitter van de vereniging van eigenaren van de Kalverstraat, en zo is het. De Kalverstraat is Nederlands bedevaartsstraat nummer één, toen en nu, op het spelbord en op het asfalt zelf.

Wat is het geheim van die vijfhonderd meter tussen de Dam en de Munt? Van oudsher wordt de ligging geroemd: door de bochten ligt de straat beschut tegen de scherpe noorden- en oostenwind, en in de zomer is het er nooit heet omdat de hoge huizen altijd voor voldoende schaduw zorgen. Daarnaast is er de traditie.

Willem Koster: “De Kalverstraat is een tweeslachtige straat: bij de Dam zijn zowel de winkels als het publiek jonger, sneller. Bij de Heiligeweg is de straat ouder, meer op kwaliteit gericht. De Kalverstraat heeft zo meer functies, kan meer klantengroepen bedienen, op meer manieren, en dat is precies de sleutel van het succes van iedere binnenstad in het klein.”

De Kalverstraat heeft de gang doorgemaakt van veel belangrijke stadsstraten: van voetpad naar drukke rijweg, en weer terug. Van oorsprong was de straat een slingerende dijk langs de Amstel, zoals iedere wandelaar nog steeds kan waarnemen als hij de stegen inkijkt die links en rechts schuin naar beneden lopen. De bestrating was er vermoedelijk beter dan langs de drassige rivieroever, en vandaar dat de Kalverstraat al vroeg een marktfunctie kreeg.

De 19e eeuwse Amsterdamse historicus Ter Gouw - die ooit zelfs een beschouwing heeft geschreven over het Kalverstraats Dialect - weet te melden dat er in de middeleeuwen kalvermarkt werd gehouden, waarbij de kalveren stonden opgesteld met de koppen naar de huizen en met de staarten naar de voorbijgangers. Maar vooral was de straat in die jaren bekend door het mirakel dat in 1345 plaatshad: een in het vuur geworpen hostie werd de volgende ochtend ongerept in de as teruggevonden, een wonder dat tot de dag van vandaag bedevaartsgangers naar de hoofdstad trekt.

In de 17e eeuw begonnen ook winkels in de Kalverstraat te verschijnen. De motor van alles was uiteraard de Beurs van Hendrick de Keyser aan het Rokin, waaraan een soort supermarkt verbonden was, Het Pand van de Beurs, met 130 winkeliers die er kassen konden huren en de passagiers een menigte van artikelen boden. Aan de andere kant van de straat, bij de Heiligeweg, lag het zogenaamde Kistenmakerspand, waar twee eeuwen lang de meubelmakers hun waren verkochten. In de 18e eeuw ontstond bovendien aan de Damzijde een centrum van boek- en kunsthandelaars, antiquairs, juweliers en koffiehuizen.

De Kalverstraat bleef echter tot ver in de 19e eeuw in de eerste plaats een doorgangsstraat, de belangrijkste verkeersader tussen Dam en Munt. In oude Amsterdamse kranten uit die tijd kan men dan ook geregeld klaagzangen lezen over de menigte van koetsen, karren en omnibussen in de Kalverstraat en het "gerij' en "geros' ter plaatse.

Helemaal erg werd het toen de Kalverstraat rond 1870 als eerste Amsterdamse straat voorzien werd van een totaal nieuwe, wonderbaarlijke stof, asphalt geheten, die de straat een spekglad aanzien gaf - overgens had men in het midden een strook gewone keien vrijgelaten, opdat de paarden niet zouden uitglijden. Al snel werden de klachten over het verkeer nog veelvuldiger, met name over “het wilde rijden der handkarren.” Het Geïllustreerd Politienieuws van 24 april 1875 meldde zelfs dat daardoor in de Kalverstraat een officier tegen de benen gereden was. “Te wensen ware dat de ouderwetse straatkeien dit plaveisel (hoe aangenaam ook voor de bewoners der Kalverstraat) weder vervingen”, zo voegde het blad aan het bericht toe. “Het werkvolk is voor dergelijke verandering nog niet rijp.”

Het stadsbestuur besloot echter de straat aan het verkeer aan te passen. De ouderwetse, uitstekende uitstalkasten werden verboden en de hoge, losse stoepen van de huizen werden in 1861 vervangen door één langgerekt trottoir. Al deze maatregelen hadden echter een averechts resultaat. ,De straat wordt zo fraai dat het volk haar tot speelterrein maakt”, zo beschreef Amsterdam-kenner Nico Polak in een uitvoerig Kalverstraat-essay ooit die periode. “Zij ontgroeit als het ware haar oorspronkelijke functie van verbindingsweg en wordt een autonoom, langgerekt marktplein. Men gaat niet meer via de Kalverstraat van Dam naar Munt, maar men gaat via Dam of Munt naar de Kalverstraat, waar een duizendkoppig publiek weldra elk wielverkeer onmogelijk maakt.”

Zo werd, rond het einde van de 19e eeuw, met de opkomst van de massaproduktie, met de introductie van de confectiekleding, met de explosieve groei van een koopkrachtige middenstand, het hedendaagse winkelbedrijf geboren en daarmee het fenomeen Kalverstraat.

Hoe ziet het publiek van de Kalverstraat eruit? In een anonieme reisgids van Amsterdam uit 1875 is een minitieuze beschrijving bewaard gebleven van de uiteenlopende groepen die toendertijd door de dag heen langskwamen. In de ochtend is het rustig: kinderen die naar school gaan, dienstmeisjes, jonge dames die boodschappen doen, een paar toeristen, een orgeldraaier. Om twaalf uur komen de werklieden die gaan schaften, joden met hun wagens met peren en "china's appelen' en visboeren met hun kruiwagens. Om één uur een stroom van heren “die zich met versnelde stap naar de beurs begeven, welke om half twee begint”. Tegelijk is er een tegengestelde stroom zichtbaar van dames van verdachte reputatie, op zoek naar klanten. De gids: “Van één tot drie ure vertoont geen fatsoenlijke dame zich zonder geleide van een heer in de Kalverstraat.” Dan volgen de flaneurs, met of zonder dames, en vervolgens wordt het tegen het eind van de middag steeds drukker: de heren komen terug van de beurs, de kantoren gaan uit. 's Avonds wordt de straat eerst bevolkt door de bezoekers van schouwburgen en varietés (toen vooral in de Nes gelegen), daarna door rustige wandelaars en de eerste koffiehuisklanten en daartussen verschijnen, naarmate de avond vordert, opnieuw steeds meer dames met tullen mutsjes op “die gewoonlijk een snellen tred aannemen en u brutaal aankijken.” De Kalverstraat was, kortom, in die jaren een typische herenstraat. Nico Polak telde er zestien koffie- en wijnhuizen, veertien sigaren- en pijpenwinkels, elf herenmodezaken en aan de ingang aan de Damzijde werd bovendien gemarkeerd door twee typische Herensociëteiten: Zeemanshoop en De Grote Club.

De journalist Bernhard Canter schreef in het begin van deze eeuw de realistische roman Kalverstraat, een nu vergeten, maar nog steeds fascinerende zedenschets over de Dallas-achtige taferelen binnen de confectiewereld bij de Heiligeweg. De angsten en het gekonkel van hoofdpersoon David de Leeuw, die zelfs zijn eigen dochter uithuwelijkte aan een concurrent om zijn zaak te redden, waren Canter maar al te bekend: zijn eigen vader, Abraham Canter, had jarenlang op nummer 181 zijn herenconfectiemagazijn De Stad Parijs met moeite boven water weten te houden. Maar hij beschrijft ook uitvoerig de wederwaardigheden van de andere zaken, waaronder The American Compagny, een jeansboutiek avant-la-lettre, waarvan de eigenaar zich enkel op de been hield met de ene stunt na de andere: “Tienduizend shilling-dassen, zoëven gearriveerd uit Londen.”

“Ik denk dat de Kalverstraat nooit een deftige straat is geweest”, zegt Willem Koster. “Dat is een oud misverstand. Het is altijd een straat geweest voor de nette burgerij, en dat was het nog tot het begin van de jaren zestig. Daarna veranderde alles. De koopkracht verbeterde enorm, er kwamen opeens veel meer mensen die veel meer geld te besteden hadden, en er kwamen nieuwe groepen de Kalverstraat binnen. Met name jongeren.”

Vooral in de jaren zeventig van deze eeuw veranderde de straat daardoor sterk van karakter. Namen als Gerzon, Formosa, Hoying en Reveillon, begrippen voor winkelend Nederland - om maar niet te spreken van de legendarische VAMI-lunchroom - maakten plaats voor een krokettenmuur van de FEBO en het lawaaiige, kortstondige leven van kleine spijkerboutieks. Dat proces werd extra aangejaagd doordat in die tijd ook de onroerend-goed prijzen omhoog vlogen, veel winkeliers-eigenaars vertrokken en vervangen werden door zaken die alleen door grote omzetten de hoge huurprijzen konden opbrengen.

In 1889 werd de zaak van Abraham Canter overgenomen door het echtpaar Cohen-Wittgenstein, dat er een damesmodewinkel van maakten, De Bonneterie genaamd. Het werd in de loop der jaren hèt maison voor bijna alle belangrijke families van Amsterdam en als sommige dames wegens financiële omstandigheden elders terecht moesten, haalden ze de etiketten van de betrokken firma's uit hun kleren en naaiden ze die van De Bonneterie erin.

Nog steeds is de zaak in de Kalverstraat gevestigd, en aan vertrekken denkt men absoluut niet, ondanks het veranderde karakter van de straat. Integendeel. De zaak wordt deze zomer compleet gerestaureerd. Ook andere gevestigde zaken zoeken de Kalverstraat opnieuw op. In november wordt er bijvoorbeeld het Nederlandse filiaal van Marks & Spencer geopend.

Willem Koster: “De mensen zijn de laatste jaren veel meer gaan letten op kwaliteit en mode. De kwaliteitsloze, laaggeprijsde jeansboutiek is uit het grootste gedeelte van de Kalverstraat alweer verdwenen. Nu zijn de kleine, gespecialiseerde winkels in opkomst, bepaalde schoenenzaken, trendsetters op het gebied van herenmode. Er wordt op dit moment weer veel geïnvesteerd in de Kalverstraat.”

Op nummer 181, waar Abraham Canter ooit spoog op zijn "handgift', het eerst verdiende geld van de dag, domineert anno 1991 de strakke, modieuze gevel van Claudia Sträter. Op de stoep staat een magere, zwarte jongen te zingen, met een gebutste bas en een vale hoofdband om zijn haar. McChicken laat even verderop weten dat hij in de aanbieding is, voor 4,75 gulden. In drommen trekken de kinderen, de beursmakelaars, de dienstbodes, de visboeren, de meisjes met de brutale ogen en de bedevaartsgangers.