Halen de Hunebedden het jaar drieduizend?; Picknich bij de reuzen

Op de grote stille hei van Drenthe lagen vroeger eenzaam de hunebedden. Dat is veranderd; toeristen komen de laatste jaren massaal de grafkelders bewonderen. Zullen de vijfduizend jaar oude steenhopen onder deze invasie bezwijken? En wat is de invloed van luchtvervuiling en oprukkende boomwortels? Pieter Steinz reisde naar Drenthe en sprak met archeologen en restauratoren. “Je mag best wat geschiedvervalsing plegen om zo'n hunebed weer mooi te krijgen.”

Heidevelden en hunebedden zijn van oudsher de trots van de provincie Drenthe. Maar de hei is in een hoog tempo aan het vergrassen en over de Drentse hunebedden hoor je de laatste tijd sombere berichten. De onverzettelijke steenhopen uit de prehistorie, bekend van schoolreisjes en Vaderlandse Geschiedenis, hebben te lijden van het moderne leven. Kon een dichteres in de zeventiende eeuw het beroemde "Keye-slott' van Borger nog triomfantelijk vergelijken met de muren van het legendarische Thebe, driehonderd jaar later nopen zure regen en vandalisme tot groot onderhoud of zelfs renovatie van ten minste veertien van de drieënvijftig hunebedden. Een veelgeplaagd exemplaar te Havelte ("D-53' in archeologentaal) werd half mei al opgeknapt, de andere komen de komende jaren aan de beurt. Als de financiën het tenminste toelaten, want na Havelte was het geld voor dit jaar op. De aanvankelijk voor mei, en later voor september aangekondigde facelift van "het grootste hunebed van Nederland' in Borger is dan ook naar het volgend boekjaar verschoven.

De plannen voor de restauratie van de monumentale grafkelders van de Trechterbekercultuur (3500- 2700 v. Chr.) zijn afkomstig van een in 1983 opgerichte Werkgroep Hunebedden, en worden uitgevoerd door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in Amersfoort. “Het is niet zo dat de hunebedden, wanneer we nu niets zouden doen, in hoopjes gruis veranderen,” verklaarde dr H. Kars, de gesteentekundige van de ROB, tijdens de kleine opknapbeurt in Havelte; om vervolgens uitgebreid in te gaan op de verderfelijke gevolgen van luchtvervuiling, oprukkende boomwortels, en massatoerisme. Vooral het laatste maakte indruk; in de pers verschenen verontrustende verhalen over grafkelders waarin werd gebarbecued, draagstenen die met graffiti waren besmeurd, en wankelende dekstenen die dienden als klimrek voor de schooljeugd. Zelfs de sportschoenenrage van het afgelopen decennium bleek bij te dragen tot het verval: scherpe steentjes in het profiel van hunebedklimmers krasten het beschermende patina van het graniet.

De grote groei van het hunebedtoerisme is iets van de laatste jaren. Tot in de negentiende eeuw was Drenthe een woest en leeg land, zonder verharde wegen, waar alleen schapen zich op hun gemak voelden. De hunebedden (zo genoemd naar het oud-Nederlandse woord voor reuzen, huynen) waren hoogstens populair als steengroeve voor dijkverzwaring en andere bouwactiviteiten; slechts een enkele oudheidkundige besefte het historisch belang van de steenhopen waarvan niemand toen nog wist waarvoor ze dienden of wie ze hadden gebouwd. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen het Rijk en de Provincie overgingen tot systematische aankoop van de hunebedden, trokken de eerste professionele prehistorici naar de Hondsrug. De toeristen kwamen later, nadat Drenthe ontsloten was en de hunebedden door de legendarische archeoloog A.E. van Giffen (1884-1973) niet alleen waren genummerd en beschreven, maar ook voor het publiek toegankelijk gemaakt.

Toch lijkt het alsof de Drentse hunebedden pas in de jaren tachtig méér geworden zijn dan een vast uitstapje voor scholieren "op kamp in Grollo'. Het kinderlijke imago is afgeschud, de bezoekcijfers stijgen. En hoewel een NS-dagtocht naar de grootste beeldenroute van Nederland nog niet voorhanden is, hebben VVV en ANWB de provincie inmiddels dooraderd met fiets- en wandeltochten die toeristen de kans geven om op zijn minst tien hunebedden per dag te "doen'. Dat was vijftien jaar geleden heel anders. Frits Bom, lang voor zijn carrière als vakantieman al de schrijver van de "eerste Nederlandse hunebeddengids', ergerde zich destijds mateloos aan de laksheid en arrogantie van de archeologen en overheidsdienaars die de hunebedden beheerden: in Het Mysterie van de hunebedden (uitgeverij Ankh-Hermes, 1978), een curieuze monografie waarin wordt geopperd dat de Drentse steenhopen met behulp van laserstralen en levitatietechnieken werden gebouwd als schuilkelders tegen een naderende wereldramp, concludeert hij: "Geen belangrijke attractie ter wereld wordt met zó weinig voorlichting, en zo'n minimum aan public relations begeleid als de Drentse hunebedden'.

Aftakeling

Sinds Bom is er veel veranderd, en komen de toeristen in groten getale. Maar niet iedereen is ervan overtuigd dat de invasie van Drenthe ook invloed heeft op de aftakeling van de hunebedden. Dr J.A. Bakker bij voorbeeld. Hij is als hunebeddenspecialist verbonden aan het naar Albert Egges van Giffen vernoemde Instituut voor Prae- en Protohistorie (IPP) in Amsterdam, en promoveerde op de resten van de Trechterbekercultuur ("de heer Bakker is gek van scherfjes', zei Van Giffen ooit over hem). Bakkers kamer is klein, en wordt gedomineerd door een vergeelde reproduktie van de schoolplaat die Isings wijdde aan de hunebedbouwers. Als hij heeft uitgelegd dat de beroemde afbeelding inmiddels achterhaald is, gaat hij in op het laatste nieuws uit Drenthe. “Wat een onzin, die verhalen over klimmende kinderen en picknickende toeristen. Die hunebedden staan er vijfduizend jaar en zullen er over duizend jaar nog wel staan. In het verleden hebben ze het veel zwaarder te verduren gehad. In de middeleeuwen gebruikte men dekstenen als fundering voor kerken, en toen in de achttiende eeuw de paalworm de houten dijkbeschoeiing kapotvrat, werden karrevrachten met hunebedkeien afgevoerd ter versteviging van de zeewering. Honderdvijftig jaar geleden was de helft van alle Nederlandse hunebedden verdwenen; de overgebleven exemplaren waren, zoals Van Giffen het in 1919 formuleerde, "sterk gestoord, zeer gehavend of in droevigen staat'. Het waren niet meer dan geraamtes van de oorspronkelijke grafkelders - zonder keien tussen de draagstenen en zonder dekheuvels.

“Je moet trouwens oppassen met restauraties. Van Giffen is soms ook al te voortvarend te werk gegaan. Leuk voor de VVV, maar vervelend voor de archeoloog, want hoe ingrijpender het herstel, hoe meer kostbaar materiaal er verloren gaat. Nee, eerlijk gezegd ben ik blij dat het geld van de ROB nu al op is; laten we eerst maar eens kijken hoe de eerste restauratie zich houdt.”

Bakker is wellicht een scepticus, maar het kan geen kwaad om eens te gaan kijken hoe de hunebedden erbij liggen. Per slot van rekening dateert mijn laatste bezoek van twintig jaar geleden, en toen waren mijn klasgenootjes en ik meer geïnteresseerd in het beklimmen van dekstenen. Ik neem de trein naar Emmen, huur een fiets, en koop twee VVV-routes die samen ongeveer drie vierde van alle in Drenthe aanwezige hunebedden beschrijven. Havelte zit er niet bij, want dat ligt ten noorden van Meppel, maar wel bij voorbeeld de op een grote stille hei gelegen "Drieling van het Emmerveld' (D-38 t-m 40), de zwaarbeschaduwde "Grote van Borger' (D-27), het in een heuvel gelegen trapgraf van Eext (D-13), en de door Van Giffen in prehistorische staat teruggebrachte "Papeloze Kerk' - zo genoemd omdat er tijdens de Reformatie hagepreken werden gehouden. De meeste hunebedden fiets ik trouwens ongemerkt voorbij: dertien jaar na Frits Bom is de bewegwijzering nog steeds verwarrend en gebrekkig. Je zou haast denken dat de hunebedbeheerders de minder spectaculaire hunebedden verscholen houden om ze te beschermen tegen de langsrazende toeristen.

Doelpalen

Ik tref het. Het is prachtig vakantieweer en op de bospaden en speelweides wemelt het van de toeristen en dagjesmensen. Maar hoe ik ook kijk, nergens zie ik misstanden. Een paar lege blikjes bij een hunebed waar geen vuilnisbak is neergezet en vier zwerfkeien die door een clubje Emmer pupillen als doelpalen worden gebruikt - dat is eigenlijk alles. Het landschap is schoon en geen enkele steenhoop is zwartgeblakerd of beklad met schuttingtaal. De hunebedden zijn eigenlijk veel schilderachtiger dan ik had verwacht. Vooral die bij Bronneger, die indrukwekkend gelegen zijn in de buurt van het mooiste kampeerbewijsterrein van Nederland. Daar, tussen de stille velden en het donkere bos, kost het me geen moeite om me te verplaatsen in de geest van de zeventiende-eeuwse dominee J. Picardt, die meende dat de hunebedden in de oertijd waren gebouwd als "begraffenissen van grouwsame Barbarische en wrede REUSEN, Huynen, Giganten ... menschen van grouwelijcke statuer, groote krachten, en beestelijcke wreetheydt'.

Behulpzaam

Terug in Holland bel ik de ROB. Misschien ben ik bij toeval net langs de verkeerde (dat wil zeggen de goede) hunebedden gefietst, en kan de Rijksdienst een zorgelijker route suggereren. Dr Henk Kars, onder wiens verantwoordelijkheid de restauraties worden uitgevoerd, is zeer behulpzaam. Op mijn vraag of ook een leek kan zien wat er mis is met de trots van Drenthe, stelt hij meteen een rondleiding in situ voor. “Er is sinds de restauratie in Havelte een vertekend beeld ontstaan van de hunebedproblematiek. Bakker van het IPP heeft natuurlijk gelijk wanneer hij zegt dat het al honderden jaren niet goed gaat met de hunebedden. Maar dat wil niet zeggen dat we daarom nu niets moeten of mogen doen. Het gaat hier om los gestapelde granietblokken van duizenden kilo's die aan slijtage onderhevig zijn. Er hoeft toch niet eerst een ongeluk te gebeuren voor je tot actie overgaat?”

Anderhalve week later rijden we over een mistige Veluwe van Amersfoort naar Havelte. Na een uiteenzetting over de vele specialisten die er op de onderzoeksafdeling van de ROB werken (paleobotanici, archeozoölogen, geochemici, archeometristen), vertelt Kars, zelf gesteentekundige, hoe hij bij de hunebedrestauratie betrokken is geraakt. “Ik ben geen archeoloog, meer een materialenman. Als ik een hunebed zie, denk ik: daar ligt een brok graniet; hoe kunnen we dat het best conserveren? Toen de Werkgroep Hunebedden halverwege de jaren tachtig de aantasting van de hunebedden had laten inventariseren, werd mij gevraagd wat ik vond van het plan om de scheuren en barsten te injecteren met kunsthars. Het leek me een slecht idee, want wie weet wat die nieuwe harsen over honderd, tweehonderd jaar voor rare dingen doen. Ik heb toen een plan gemaakt voor zogenaamde mechanische restauratie: kapotte stenen herstellen met onzichtbare roestvrijstalen pinnen, verwering tegengaan door verwijdering van condensbevorderende bosschage, en zo min mogelijk gebruik maken van chemische stoffen.”

Het resultaat van Kars' eerste restauratie is te zien aan de voet van de Havelterberg, waar ik ook kennis maak met drie andere medewerkers van de ROB. D-53, een gangvormig graf met een lengte van 19 meter, rijst gaaf op uit de heiige omgeving; toeristen beklimmen en fotograferen de stenen en lezen de "informatiescherven' die onlangs door de ROB bij het hunebed geplaatst zijn. Kars laat zien wat er in mei gebeurd is: twee verzakte dekstenen zijn teruggetakeld, de onderkant van de meest verweerde dekstenen is schoongespoten en ingesmeerd met een vochtwerend middel, een gescheurde draagsteen is verstevigd met roestvrijstalen "doken' en daarna afgewerkt met granietkleurige mortel. “Als je het niet weet, zie je niet dat er gerestaureerd is,” zegt een van de ROB-ers, waarop Kars uitlegt dat er goede redenen waren om juist D-53 het eerst onder handen te nemen. “Het was een goed oefenproject, want aan dit hunebed konden we weinig verpesten. In 1945 hebben de Duitsers alle stenen in een kuil gekiept omdat ze op deze plaats een startbaan wilden aanleggen. Van Giffen heeft toen na de oorlog een volledige reconstructie doorgevoerd.”

Wrevel

Bij de koffie raak ik in gesprek met drs R.H.J. Klok, een ROB-er wiens naam ik mij herinner uit Het mysterie van de hunebedden. In de jaren zeventig wekte hij de wrevel van Frits Bom door een typische "potjes- en pannetjesgravers'-uitspraak: "Archeologische monumenten zijn geen recreatieve objecten of toeristische trekpleisters, behoren dit althans niet te zijn'. Tegenwoordig denkt Klok er anders over. “Onbekendheid met het archeologisch erfgoed werkt baldadigheid en vernielzucht in de hand. Een van de doelstellingen van de Werkgroep Hunebedden was dan ook om het publiek zo dicht mogelijk bij de monumenten te brengen. Er kwam een nieuwe hunebeddengids en een officiële route langs achttien hunebedden waar informatieborden staan opgesteld. De hunebedden hebben een voortrekkersrol; als het publiek eenmaal weet hoe waardevol de Drentse steenhopen zijn, zal het ook voorzichtiger omspringen met de rest van het onroerend archeologisch erfgoed.”

Na dit college "trickle-down archaeology' neemt Klok afscheid. Hij moet elders in de provincie nog een "aangerand monument' inspecteren. Ik vertrek met Henk Kars naar het volgende reisdoel, Rolde. We worden vergezeld door de archeoloog Sake Jager, die bij het ROB is aangesteld als Regionaal Inspecteur Monumenten. In de auto beschrijft hij hoe het Drents Plateau er uitzag rond 3000 voor Christus. “Heidevelden waren nog nergens te vinden, en overal stroomden kleine beekjes. De Hondsrug was bedekt door eikenbossen, met hier en daar een zandverstuiving of een open plek waar de Trechterbekermensen de bomen hadden gekapt en verbrand om een vruchtbare akker aan te leggen. De hunebedden werden vaak gebouwd op die open plekken in het bos; waarschijnlijk dienden ze niet echt als begraafplaatsen, maar als knekelhuizen waarin skeletten na verloop van tijd werden bijgezet. Het merendeel van de hunebedden lag trouwens langs een prehistorische weg over de Hondsrug die van Anloo in het noorden naar Emmen in het zuiden loopt. Je kunt hem nog precies volgen.” Als ik vertel dat de route inderdaad goed te fietsen is, maar dat de meeste hunebedden nauwelijks te vinden zijn, verzekert Jager me dat dat geen boze opzet is: “Het is echt niet zo dat we de hunebedden verstoppen. We willen ze juist zichtbaar maken in het landschap door de bomen en het struikgewas er om heen te kappen. Geen enkel hunebed is afgesloten voor het publiek, zelfs niet dat van Westenes, dat als enige nog in particuliere handen is.”

Plempwerkje

Aangekomen in het centrum van Rolde wandelen we naar D-17 en D18, twee naast het kerkhof gelegen hunebedden die op de rol staan om gerestaureerd te worden. Aan D-18 hoeft niet veel te gebeuren: de grillige eik die tot voor kort tussen de draagstenen omhoog rees, is gekapt, en de meeste dekstenen liggen op hun plaats. Een ontsierende betonnen steun en een plempwerkje van keien verraden dat het hunebed al eerder is aangepakt. Door Van Giffen, zegt Kars. “De moderne technieken maken gelukkig elegantere oplossingen mogelijk.”

Vijftig meter verderop, bij D-18, gaat het hart van de ROB-ers merkbaar harder kloppen. In de hoop stenen, die opzij worden gedrukt door de wortels van een grote holle eik, is het oorspronkelijke portaalgraf niet meer te herkennen. “Hier valt eer aan te behalen,” zegt Jager, die zichzelf een moment vergeet en tegen een schuingevallen deksteen opklimt; “de stukken en brokken liggen er allemaal nog wel, maar het is een hele puzzel om ze aan elkaar te krijgen”. Ook Kars is enthousiast. “Waarschijnlijk valt moeilijk na te gaan hoe het er vroeger precies heeft uitgezien,” zegt hij terwijl we teruglopen naar de auto; “maar je mag best wat geschiedvervalsing plegen om zo'n hunebed weer mooi te krijgen. Ik heb daar geen problemen mee.”

De laatste etappe van onze tocht voert naar Borger. Daar staat, door hoge bomen omgeven, het grootste hunebed van Nederland, dat volgens de toekomstige restauratoren zo zwaar te lijden heeft van regen en vochtigheid. Ik tref het niet. Het is prachtig weer, de zon schijnt op de dekstenen en in de grafkelder is geen druppel condens te bekennen. “Het is nu een paar weken droog geweest, maar kom hier maar eens in de herfst of de winter: dan kun je naar de ingang zwemmen,” zegt Jager, en Kars laat zien dat de binnenkant van de stenen groen is; niet door korstmossen, zoals het hoort, maar door algen die gedijen onder de ammoniak in dauw en regenwater. Erger is dat door de nattigheid de ijzerdeeltjes in het graniet corroderen, wat de steen brokkelig maakt. Gelukkig is dat te voorkomen. Jager: “Wanneer we de bomen in de buurt kappen, kan het hunebed luchten en krijgt condens geen kans.” Maar is dat dan niet jammer van die groene zoom; vroeger stonden de hunebedden toch ook op een open plek in het bos? “Ach, wat je hier ziet is echt niet van vijfduizend jaar geleden. Toen stond er ook geen beuk en lijsterbes.”

Aan de andere kant van de bomen, in een verbouwde boerderij die 't Flint'nhoes wordt genoemd, bevindt zich onze laatste stopplaats: het Nationaal Hunebedden Informatiecentrum (NHI). Terwijl Kars en Jager op zoek gaan naar de directeur - “een deeltijdgeschiedenisleraar die door een actief beleid het bezoekersaantal heeft weten te verdubbelen” - bekijk ik de permanente expositie: een charmante verzameling trechtervormige bekers, reconstructietekeningen en maquettes die de bouw van een hunebed demonstreren. Onder een geïmproviseerd afdak buiten staat een zeldzame "steenkist' - het enige in Drenthe opgegraven eenpersoons hunebed. NHI-directeur Hein Klompmaker vertelt dat daar helaas geen plaats voor is op de tentoonstelling. Hij wil graag uitbreiden, maar krijgt geen overheidssubsidie en zoekt naar sponsors (“begrafenisondernemingen, steenfabrieken”) die de benodigde miljoen gulden kunnen fourneren. “Het liefst zouden we van Borger een archeologisch centrum maken. We hebben plannen om de maisvelden hier tegenover aan te kopen, want die bedekken twee neolithische grafheuvels. En bij de hunebedden van Bronneger, op de plaats van het kampeerbewijsterrein, bouwen we een prehistorisch dorp na. Daar kunnen bezoekers in berevellen rondlopen en leren hoe je een boot uit een boomstam hakt.”

Ik luister naar Klompmaker, terwijl ik denk aan de stille velden en het donkere bos rondom de hunebedden van Bronneger. En even schiet die reactionaire gedachte weer door me heen: archeologische monumenten zijn geen recreatieve objecten of toeristische trekpleisters, behoren dit althans niet te zijn.

Laat Theben vry nog poggen op er Muyren, Die schier in 't hoog bereykten 't wolk gespan Dit Rots gevaart sal langer konen duyren: Geen kragt hoe groot haar Force quetsen kan

Titia Brongersma, 1685

Op 19 sept. om 19.30 uur becommentarieert Dr H. Kars in het NHI een videoregistratie van de restauratie van het hunebed D-53 in Havelte. Borger, Bronnegerstraat 12. Aanmelden 05998- 36374.