WOLFGANG HILDESHEIMER 1916 - 1991; Ontmaskeraar Mozart-mythes

De schrijver Wolfgang Hildesheimer (1916), die gisterochtend in het Zwitserse bergdorp Poschiavo overleed, zou beslist de voorkeur aan een necrologie met een satirische ondertoon hebben gegeven. Necrologieën horen bij de dagelijkse produktie van het kunstbedrijf, en van dat laatste had Hildesheimer bepaald geen hoge dunk. Zijn eerste verhalenbundel, Lieblose Legenden (1952),bestaat uit karikaturen van een geperverteerd cultureel wereldje, dat zijn bestaansrecht aan het produceren van vervalsingen tracht te ontlenen.

Hildesheimers fascinatie met Mozart heeft eveneens te maken met deze behoefte aan het ontmaskeren van mythes. In zijn grote Mozart-biografie uit 1977 zegt hij een "in de loop van de eeuwen herhaaldelijk overgeschilderd fresco' te willen reinigen. Hildesheimer, zelf een hardnekkig bewonderaar van Mozart, zette de componist neer als een "genie in vuil ondergoed', hetgeen destijds grote opschudding veroorzaakte.

Hildesheimers eigen muzikaliteit blijkt uit de compositie van zijn experimentele prozawerk Tynset (1965), waarin hij een fuga-, een toccata- en een rondovorm verwerkte. Vooral deze rondovorm staat in schril contrast met het doodsverlangen van de hoofdpersoon, een naamloze anti-held die erg op de auteur zelf lijkt. De man leeft teruggetrokken in de bergen. Duitsland heeft hij de rug toegekeerd omdat hij niet kan verdragen dat de moordenaars uit de nazi-tijd daar nog steeds vrij rondlopen.

De halfjood Hildesheimer, die gedurende de oorlog Engels inlichtingen-officier in Palestina was en na de oorlog tolk bij de Neurenberger processen,bleef zijn leven lang bang voor een herhaling van de nazi-gruwelen.

Zijn paniek over de "bedrieglijke schoonheid van de wereld' sublimeerde hij niet alleen in proza met groteske trekken, maar ook in absurdistische, aan Beckett en Ionesco herinnerende toneelstukken, zoals het drama Rivalen uit 1961. De vlucht naar afgelegen oorden was voor hem de enige manier om het hoofd boven water te houden in een chaotische, liefdeloze maatschappij.

Marbot (1981), een biografische roman over een niet-bestaand edelman en kunsthistoricus in het Victoriaanse Engeland, werd juichend ontvangen, omdat de auteur erin geslaagd zou zijn fictie geheel in waarheid om te zetten.

De schok was groot toen Hildesheimer korte tijd later mededeelde dat hij van plan was het schrijven voorgoed te staken. Zijn argument daarvoor lag eigenlijk voor de hand, voor wie de sombere teneur van zijn werk al kende: fictie had geen zin meer in een steeds onherbergzamer wordende wereld. "Wij schrijvers', zei hij, "zullen allemaal binnen afzienbare tijd zonder lezers zitten omdat iedereen het te druk met overleven heeft.'

Na 1984 legde hij zich vooral weer op de beeldende kunst toe, waarmee ook zijn artistieke carrière begonnen was. In 1989 schreef hij nog aan zijn vriend Max Frisch, een jaar voor diens dood: "Alles zal vergaan, lieve Max, vooral het lachen.'

Alles goed en wel, zolang met Hildesheimers werk maar niet hetzelfde gebeurt als in het verhaal Ein Pilzjahr uit de bundel Lieblose Legenden beschreven wordt: de hoofdpersoon van dat verhaal, Gottlieb Th. Pilz, vernietigt grote kunstwerken om de volgende generatie een boel ellende te besparen. Zo bitter dacht Hildesheimer soms over zijn eigen werk.