Teksten van Pavese basis voor Diane Lensinks semi-solo Leven, een vak; Koken voor een gast op het toneel

Leven, een vak, t-m 8-9. Beh. ma aanvang 21u30. Schram Studio 2, Grasweg 35, Amsterdam-Noord. Res. 020-6344211.

In een loods in Amsterdam-Noord gaat morgen Leven, een vak in première. Deze titel heeft actrice Diane Lensink bedacht voor de semi-solovoorstelling die zij heeft samengesteld op basis van teksten van de Italiaanse schrijver Cesare Pavese. “Ik wil een schilderijtje maken.”

Bovenop de boodschappenmand naast haar ligt een flinke bos verse basilicum. Diane Lensink (41) is op doorreis naar de repetities. Onder de basilicum gaat spaghetti schuil, een paprika en kwarteltjes: dat alles heeft zij nodig voor de proefvoorstelling vanavond. Want behalve op de teksten van de melancholieke schrijver Cesare Pavese is Leven, een vak gebaseerd op de Italiaanse keuken. Daarmee houdt tevens het semi-solo-karakter van haar voorstelling verband: Lensink ontvangt telkens een andere gast voor wie zij kookt. Het zijn mensen “uit het vak, die ik aardig vind en die ik ook thuis had kunnen noden”.

Onder hen bevinden zich Wim van der Grijn, Peter Oosthoek, Sam Bogaerts, Theu Boermans en Gerardjan Rijnders. In het decor loopt tevens vrijelijk een tienjarig jongetje rond - met het oog op de arbeidsinspectie heeft Lensink er in totaal vijf tot haar beschikking. Het jongetje en de gast symboliseren de jonge en oude Pavese.

“Een ramp,” zegt Lensink over de generale repetitie van de avond voor onze ontmoeting. “Het evenwicht was zoek. Het verhaal van Pavese dat ik vertel, is ondramatisch en eigenlijk niet belangrijk. Het gaat weliswaar

over zijn vader en over de geliefde heuvels van het landschap van zijn jeugd en de teloorgang van het geluk van zijn kinderjaren - het bevat kortom veel van zijn thema's - maar het mag toch niet zwaarder wegen dan de andere elementen in de voorstelling. Ik moet het verhaal op hetzelfde niveau zien te brengen als het koken. Dat lukte gisteravond helemaal niet.''

Lensink speelt haar voorstelling in een “opzettelijk bizarre omgeving”, een oude loods in Amsterdam-Noord. Vormgever Jan Klatter schiep in een klein hoekjede illusie van een typische Italiaanse keuken, vol terracotta, mandflessen, houten pollepels, gegalvaniseerde teilen en aan het plafond bungelende salamiworsten en hammen. Het is het domein van een Latijnse mama, aards, tastbaar en vertrouwenwekkend. Het decor heeft overigens een hoog realiteitsgehalte: het fornuis wordt op heuse houtblokken gestookt.

Lensink: “Ik kook echt en liefst iedere avond iets anders. Dat maakt het nogechter en riskanter. Op verschillende plaatsen in zijn dagboeken analyseert Pavese zijn eigen werk en hij vraagt zich dan af wat dichten of schrijven eigenlijk is. Op het moment dat een schrijver de werkelijkheid wil weergeven, maakt alleen al zijn zorgvuldige woordkeuze de werkelijkheid tot fictie. Dat probleem wil ik ook op toneel laten zien. Het koken is volstrekt realistisch - het eten dat ik mijn gasten voorzet, moet gaar zijn en eetbaar en lekker - maar de situatie, de context, die loods, mijn monoloog zijn artificieel. Het gaat me erom de spanning tussen die uitersten te tonen, maar tegelijkertijd wil ik een tranche de vie laten zien, een schilderijtje.

“Het verhaal is sferisch bedoeld, maar die bedoeling blijkt moeilijk over te brengen. Pavese bedient zich van een nogal lyrische taal en het verschil tussen mijn spontane reacties tegenover mijn gast en mijn monoloog is vooralsnog te groot. Dat verschil moet wegvallen. Ik moet nog het zelfvertrouwen zien vast te houden om alle tijd van de wereld te nemen en niet te vergeten, dat ik die man daar aan tafel een verhaal wil vertellen. Daarom ten slotte vond ik leuk om iedere avond een andere man te vragen, mannen die met plezier een avond aan tafel doorbrengen en die evenveel van lekker eten houden als van een mooi verhaal.”

In Leven, een vak reist Lensink in zekere zin terug naar haar verleden, precies zoals Pavese in zijn werk deed. Ze beschouwt de voorstelling als een riskante onderneming, zoals er zoveel ondernomen werden “toen ik net van school kwam”. Lensink is een dochter van acteur Ton Lensink en actrice Henny Orri, maar in het theater kwam zij toch min of meer bij toeval terecht. In de laatste klassen van het gymnasium deed zij een toneelcursus, die ze met goed gevolg afsloot - en daarmee slaagde zij tegelijkertijd voor het toelatingsexamen van de toneelschool. Ze wilde fotograaf worden, maar omdat iedereen voorzag dat zij dan "in de reclame' terecht zou komen, besloot zij voorlopig dan toch maar een toneelopleiding te gaan doen.

De hartstocht is later gekomen, toen Lensink acht jaar lang deel uitmaakte van het door Gerardjan Rijnders geleide Globe. Na diens vertrek naar Amsterdam, in 1987, belandde Lensink tot haar grote tevredenheid bij Frans Strijards, “een sterke, geniale geweldenaar”. Ze heeft het weleens betreurd, dat hij geen vaste groep om zich heen heeft, maar “dat past nu eenmaal niet bij hem. Hij is veel te bang voor vergrijzing en gemakzucht.”

Lensink: “Sinds ik bij Globe weg ben, heb ik me afgevraagd of ik nog wel toneel wil spelen. Andere dingen komen me steeds belangrijker voor. Het klinkt misschien oubollig, maar mijn belangstelling gaat meer dan voorheen uit naar de natuur, naar mijn kind, huiselijkheid, naar een organischer bestaan om zo te zeggen. Het steedse, uitgaande leven kost waanzinnig veel onnatuurlijke energie. Ik vraag me steeds vaker af of dat allemaal wel de moeite waard is en die zelfde twijfels vond ik terug bij Pavese die, door de fascisten in ballingschap gedaan, ook terugverlangde naar het landschap van zijn kinderjaren. In de wrange wetenschap overigens dat de sensaties die hij als kind ondergaan had, nooit meer terug zou vinden. Dat besef heb ik ook, mijn voorstelling is een poging daar iets mee te doen.”