Sjostakowitsj dringt door tot het ijzeren repertoire

Dertig jaar geleden werd er gediscussieerd over "de kloof tussen publiek en geavanceerde toonkunst'. Nu is er een overvloed aan moderne concerten en heeft de hedendaagse muziek een eigen podium verworven.

Jan van Vlijmen, de nieuwe directeur van het Holland Festival, maakte onlangs zijn beleidsplan voor de komende jaren bekend. Het komt er op neer dat opera de spil wordt van het festival. Van Vlijmen geeft als argument: “Het gewone kunstaanbod in Amsterdam is zo groot dat het Holland Festival iets heel bijzonders moet brengen. Opera is er te weinig, hier gebeurt kwantitatief minder dan in een Duitse provinciestad.”

Op het eerste gezicht heeft Van Vlijmen gelijk. In Amsterdam zijn twee symfonie-orkesten gevestigd en lacunes in de programmering van het Concertgebouworkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest worden bovendien vrijwel iedere zaterdag op een creatieve wijze aangevuld door de Vara-matinee. De programmering van het Concertgebouw (dus niet het orkest) wordt steeds omvangrijker en door de verbouwing van de Beurs van Berlage is Amsterdam sinds enkele jaren een voortreffelijke middelgrote en een redelijke kleine zaal rijker. Muziekcentrum De IJsbreker, het podium voor de moderne muziek, heeft zijn eigen series en barst inmiddels bijna uit zijn voegen zozeer zelfs, dat de directie heeft besloten het komende seizoen met een serie uit te wijken naar de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Ook in Paradiso vinden geregeld concerten plaats met hedendaags klassiek repertoire. Verder worden er het hele jaar door concerten, festivalletjes, concoursen, muziekweken en andere manifestaties georganiseerd. Amsterdam komt dus, zo lijkt het, niets tekort.

Hoe staat het bij voorbeeld met de hedendaagse muziek in de seizoensfolders van de concertorganisatoren? En is de situatie beter dan pakweg dertig jaar geleden, toen er in het Algemeen Handelsblad onder leiding van muziekredacteur Hans Reichenfeld wekenlang werd gediscussieerd over "de kloof tussen publiek en geavanceerde toonkunst'?

Een eigen zaal zoals De IJsbreker, waarin uitsluitend moderne muziek te horen is, bestond in de jaren zestig nog niet. Komend seizoen staan daar acht series gepland, met ruim veertig concerten, die volgens directeur Jan Wolff de "ruggegraat' van de programmering vormen. Er is muziek te horen van ouwetjes als Ives en Webern tot actuelen als Rihm en Martland. Ook Nederlandse componisten zijn in De IJsbreker goed vertegenwoordigd. Een groot aantal "losse' concerten, en een kleine honderd co-produkties met verschillende ensembles en solisten, vullen de series aan.

Componist Ton de Leeuw zou zich dertig jaar geleden in zijn handen hebben gewreven bij zo'n eigen podium voor moderne muziek. Hij was een van de weinigen, die er tijdens de discussie in het Handelsblad voor pleitten het publiek gewoon te geven waar het om vroeg (er was toch ook een Stedelijk en een Rijksmuseum). De subsidiering van een speciaal ensemble voor moderne muziek zou volgens De Leeuw een nieuw publiek kweken, dat de aansluiting met actuele ontwikkelingen ook in de toekomst niet meer hoefde te verliezen. Reichenfeld geloofde daarentegen heilig in de mogelijkheid het publiek vertrouwd te maken met hedendaagse klanken, "desnoods een beetje tegen zijn zin'. Hij pleitte voor meer hedendaags repertoire in de traditionele series van het Concertgebouworkest, en dan niet, zoals in een aantal ingezonden brieven werd gesuggereerd aan het slot van het concert, zodat de luisteraar die daar geen zin in had tijdig kon vluchten.

In 1963 kwam de Raad voor de Kunst met een opmerkelijk rapport over hedendaagse muziek bij de orkesten, dat Reichenfeld onder de kop "Hervorming publieke smaak noodzakelijk' van commentaar voorzag. De adviezen van de Raad hebben maar weinig aan actualiteit verloren. De financiele risico's van minder goed gevulde zalen moeten door de subsidiegever worden opgevangen. Modern repertoire hoort stelselmatig te worden herhaald, want alleen door een premiere raakt het publiek niet vertrouwd met het klank-idioom. Er moet voldoende repetitietijd zijn om onbekende werken in te studeren want, zoals dirigent Hans Rosbaud ooit zei: “Als ik een werk van Mozart verknoei, wijt het publiek het aan mij. Als ik een modern stuk verknoei, wijt men het aan de componist.”

In het rapport werden ook wat cijfers genoemd van de meest gespeelde componisten (door de symfonie-orkesten in Nederland te zamen): Beethoven (13,5%), Mozart (9,2%), Tsjaikofski (4,8%), Brahms (4,2%) Ravel (3,2%), Debussy (2,1%), Bruckner (1,2%) en Mahler (1,0%). Daarna kwamen nog Bartok, Strawinsky en Diepenbrock met iets minder dan 1%.

In dat rijtje wel enige verandering gekomen. Beethoven is nog steeds favoriet, Mozart is inmiddels in de handen gevallen van gespecialiseerde ensembles (al is hij dit seizoen ter gelegenheid van het Mozart-jaar overal tot vervelens toe te horen). Brahms heeft Tsjaikofski van de derde plaats verdrongen. Zijn Eerste symfonie is met zes uitvoeringen in het volgend seizoen de absolute topper. Van Schubert, die dertig jaar geleden in het rijtje nog niet voorkwam, wordt de Unvollendete vijf keer (net zo vaak als Dvoraks Negende) gespeeld. In het rijtje van vier uitvoeringen komt opnieuw Brahms voor (Pianoconcert nr.2 en Vioolconcert) en verder Bruckner (Zeven), Dvorak (Acht), Sibelius (Vioolconcert!) en Tsjaikofski (Pianoconcert nr.1). Twee symfonieen van Beethoven en twee van Brahms zullen alle drie keer gespeeld worden, evenals een symfonie van Mahler, Schubert en Sjostakowitsj (een twintigste-eeuwer die geleidelijk tot het ijzeren repertoire weet door te dringen). Opvallend zijn tenslotte ook de drie uitvoeringen van het Vioolconcert van Alban Berg.

Al ziet het lijstje er wat anders uit dan dertig jaar geleden, de uitgangspunten zijn niet opvallend gewijzigd. Landelijk gezien speelt het moderne orkestrepertoire een vrij onbeduidende rol in de programmering van de orkesten. De 25% eigentijdse muziek waar Reichenfeld voor pleitte wordt bij de regionale orkesten (waartoe ik ook het Nederlands Philharmonisch Orkest reken, wat door de onopvallende programmering gerechtvaardigd lijkt) lang niet gehaald. Bij het Concertgebouworkest is de situatie gunstiger. Ongeveer twintig van de vijftig composities stammen uit deze eeuw (bijna 40%, tegenover 20% in 1963). Het merendeel daarvan klinkt weliswaar in de C-serie, maar Strawinsky en Schonberg zijn in de B-serie doorgedrongen en in de Z-serie is zelfs Messiaen te horen. Bovendien herhaalt het Concertgebouworkest dit jaar De Hemel van Peter Schat, die tijdens het laatste Holland Festival bij het Residentie Orkest in premiere ging. Hopelijk horen we binnenkort ook bij voorbeeld de Derde symfonie van Otto Ketting en het Pianoconcert van Jan van Vlijmen voor een tweede keer.

Het Amsterdamse publiek mag zich dus gelukkig prijzen met het aandeel van de hedendaagse muziek, behalve misschien die ene mijnheer die in 1963 in een ingezonden brief naar aanleiding van de discussie in het Handelsblad schreef: “Wij ouderen geloven, dat een ver verleden zeer veel componisten met niet te evenaren kwaliteiten en prestaties voor lange eeuwen heeft geleverd en dat onze eeuw van grote natuurkundigen, medici en technici tot heden zeer weinig componisten bracht die over honderd jaar nog niet vergeten zullen zijn.”