Rotsen in de speekselvloed; Tandsteen in Noorwegen en Sri Lanka

ß8Anerud, A., e.a., The natural history and clinical course of calculous formation in man. J. Clin. Periodontol. 1991; 18: 160-170.

Abulcasis was een beroemde Moorse arts die omstreeks 1100 in de buurt van de Spaanse plaats Cordoba leefde. Volgens sommige historici die in tandheelkunde zijn geïnteresseerd, was hij een van de eerste auteurs in de geschiedenis die op serieuze manier de gevaren van tandsteen heeft beschreven en zelfs instrumentarium heeft ontworpen. Hij geeft aan dat tandsteen verwijderd moet worden, wat de reden is dat er tandsteeninstrumenten van verschillende vormen nodig zijn, en hoe men deze moet gebruiken. En als men die instrumenten heeft en deze inderdaad goed gebruikt, zo schrijft de zeer religieuze mohammedaanse arts, dan zal dat God behagen. Over deze uitspraak lijkt weinig twijfel te bestaan ondanks het feit dat er in de literatuur relatief weinig bekend is over de gevolgen van tandsteen voor de conditie van het tandvlees en het kaakbot, bezien over een langdurige periode.

Onlangs is er een interessant onderzoek verschenen waarin gegevens worden vermeld over de vorming van tandsteen en de gevolgen daarvan bij twee totaal verschillende bevolkingsgroepen die zo'n vijftien jaar zijn gevolgd. Enige resultaten hiervan zullen we hieronder kort bespreken.

Tandsteen is een kalkachtige stof welke voor 70 tot 80 procent uit anorganische zouten bestaat. Calcium en fosfaat vormen de belangrijkste elementen erin en voorts treft men ook kleine hoeveelheden magnesium, natrium, carbonaat en fluoride erin aan.

Men onderscheidt twee vormen tandsteen. Het zogenaamde supragingivale tandsteen is geelwit van kleur en is gewoonlijk gelokaliseerd langs de rand van het tandvlees, vooral op de plaats waar de uitgangen van de speekselklieren zijn te vinden. De kleur kan echter veranderen in bruin door verkleuring door tabak of kleurstoffen in ons voedsel. Wanneer het tandsteen onder het tandvlees op de wortels van de gebitselementen is gesitueerd, spreekt men van subgingivaal tandsteen. De kleur ervan is bruin tot zwart. De substantie is harder en vaak steviger aan het tandoppervlak gehecht dan de andere vorm. Voor beide types geldt dat ze bedekt zijn met bacteriële plaque waardoor gevaar op tandvleesontstekingen zeer groot is.

De twee onderzochte bevolkingsgroepen kwamen uit Noorwegen en Sri Lanka; in geografisch, cultureel en sociaal-economisch opzicht verschilden ze dus sterk. Ook hun genees- en tandheelkundige verzorging liep nogal uiteen. De groep uit Sri Lanka kreeg nooit of zelden gebitszorg terwijl de groep uit Oslo in feite de best mogelijke tandheelkundige zorg ontving.

De Noorse groep bestond in 1969 uit 565 gezonde jongens en mannen, 16 tot 30 jaar oud, afkomstig van middelbare scholen en universiteiten. De mannen werden tot 1988 vijf maal onderzocht, waarbij vastgesteld moet worden dat er in dat jaar nog 203 uit de oorspronkelijke groep aanwezig waren. In 1970 bestond de groep uit Sri Lanka uit 480 mannen in de leeftijd tussen de 14 en de 30 jaar die allen werkzaam waren op twee theeplantages. Het waren Tamils en afkomstig uit voorouders die twee tot drie generaties daarvoor geëmigreerd waren uit Zuid-India. Voor zover bekend was hun gezondheidstoestand en hun voeding, naar lokale omstandigheden gemeten, goed. Zij genoten geen tandheelkundige verzorging en gebruik van de tandenborsel was hun onbekend. Wel rookten zij veelvuldig en kauwden zij op betelnoten. Ook deze groep werd vijf maal onderzocht en van deze proefpersonen waren er in 1985 nog 161 over.

Dit type onderzoek verdient de grootst mogelijke waardering. Het is buitengewoon lastig om twee groepen mensen over een periode van vijftien jaar te blijven volgen. Het vergt van de onderzoekers grote organisatorische en soms detective-achtige kwaliteiten om zoveel mogelijk personen bijeen te houden en hen te bewegen zich op een bepaald tijdstip te laten onderzoeken. Ook is het gewenst dat de onderzoekersgroep grotendeels intact blijft. Lukt het, dan is zo'n studie vaak erg motiverend. De gegevens zijn vrijwel altijd uniek en de onderzoekers hebbben dikwijls het gevoel iets wezenlijks te hebben bijgedragen aan hun vakgebied.

Zeer vroege leeftijd

Zo ook hier. Omdat de groep uit Sri Lanka niet aan mondhygiëne deed, en bij hen ook nooit tandsteen werd verwijderd, kon men voor het eerst in de geschiedenis van de tandheelkundige literatuur gegevens publiceren over tandsteenvorming gedurende een lange periode. Onder deze omstandigheden blijkt tandsteen al op zeer vroege leeftijd aanwezig te zijn. Op 14-jarige leeftijd hadden alle jongens al veel tandsteen; bij de Noren kwam dat niet voor. Bij de 30-jarige personen uit Sri Lanka was geen tand of kies zonder tandsteen, maar daarna scheen de tandsteenvorming minder te worden. De arbeiders van de theeplantages die veel rookten en betel kauwden hadden aanmerkelijk meer tandsteen, zowel supra- als subgingivaal, dan hun collega's die maar één of geen enkele van die gewoonten hadden. Gebitselementen met veel subgingivaal gelegen tandsteen hadden significant meer plaatsen waar het tandvlees veel minder hecht aaneen gesloten lag om de wortel dan bij de tanden en kiezen waarbij minder van zulk tandsteen aanwezig was. Door dit verlies van bindweefselaanhechting is de kans om een gebitselement te verliezen door het losstaan ervan beduidend groter en dat bleek bij een bepaalde groep uit Sri Lanka dan ook inderdaad het geval.

Bij de Noren trof men een geheel andere situatie aan. Bij de proefpersonen die hun hele leven tandheelkundige hulp hadden gekregen, zag men vrijwel geen tandsteentoename in de periode van de adolescentie tot de 40-jarige leeftijd; 70 procent van de gebitsvlakken was op 40- tot 50-jarige leeftijd vrij van tandsteen. De onderzoekers stellen vast dat bij deze groep goede mondhygiënische maatregelen en een regelmatig tandartsbezoek geleid hadden tot weinig tandsteenvorming. En als er wat van deze kalkachtige substantie bij de proefpersonen werd aangetroffen dan bleek dat vooral van het subgingivale type, de tandsteen onder het tandvlees, te zijn. Ook in deze groep was een verschil tussen rokers en niet-rokers te constateren: de rokers hadden meer tandsteen.

Men kan vaststellen dat tandsteen schadelijk is voor de conditie van het tandvlees en het kaakbot, iets dat Abulcasis ook al wist. Het nieuwe inzicht is dat de aanwezigheid van subgingivaal tandsteen zo nauw gecorreleerd is met aanzienlijk verlies van de bindweefselaanhechting van tandvlees en kaakbot aan de tanden en kiezen. En voorts blijkt weer dat een groep mensen uit een ontwikkelingsland aanmerkelijk slechter af is dan een groep uit een rijke, geïndustrialiseerde natie. Een gegeven dat helaas telkens weer in de literatuur opduikt.