Poolse veiligheid en defensie hebben steun Westen nodig

De staatsgreep in de Sovjet-Unie onderstreept meer dan ooit de precaire veiligheidssituatie van de Oosteuropese landen. Dit vraagstuk, dat tot voor kort voor het Westen min of meer van theoretische aard was, heeft door de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie een andere dimensie gekregen. Met name in Polen is de schrik om het hart geslagen. Hoe kan het Westen de Oosteuropese landen steunen? Komt na het aanvakelijke warme onthaal in het Westen nu de koude douche?

Enkele maanden geleden "lekte' een document uit van het Centrale Comité van de Sovjet-communistische partij waarin het beleid ten aanzien van Oost-Europa uiteen werd gezet. Zo zouden de voormalige satellietlanden geen buitenlandse troepen op hun grondgebied mogen toelaten en geen faciliteiten mogen verlenen voor militaire steunpunten. Ook wil de Sovjet-Unie voorkomen dat de nieuwe democratieën zich aansluiten bij een (Westerse) veiligheidsorganisatie. Uit het document blijkt overduidelijk dat er nog steeds krachten in de Sovjet-Unie zijn die op andere wijze hun greep op de voormalige bondgenoten willen terugkrijgen. Economische machtspolitiek moet de veiligheidsbelangen zeker stellen. Zo is Polen voor zijn energieleveranties volledig afhankelijk van het buitenland. De Sovjet-Unie was tot voor kort de grootste leverancier van gas en olie. De gasleveranties zijn gestopt en de olieleveranties zijn met de helft gedaald. Ook is de Sovjet-Unie de belangrijkste handelspartner voor Polen.

Polen bevindt zich op tal van terreinen in een overgangsfase. Op politiek terrein moet de democratie nog gestalte krijgen. Op economisch gebied staat het land voor de grootste naoorlogse krachtproef, de overschakeling van een centraal geleide economie naar een vrije markteconomie. Het plan-Balcerowicz, de shocktherapie van de minister van financiën is hierbij richtinggevend. Op sociaal gebied is er ook van alles aan de hand. Overheidsinstellingen komen onder democratische controle en kunnen niet meer op basis van willekeur optreden. Minderheidsgroeperingen kunnen weer hun stem laten horen. Al deze processen bevorderen, mits goed gestuurd, op de langere termijn de interne stabiliteit. Resultaten op economisch gebied zijn hier doorslaggevend en beïnvloeden de uitkomsten van de andere processen. Zo lang dit alles nog niet is afgerond en tastbare resultaten zich nog niet aftekenen, kan van deze ontwikkelingen ook een destabiliserende werking uitgaan. Juist nu dit gevaar op de loer ligt, is het van belang dat Polen door het Westen wordt geholpen. Ook op het gebied van veiligheid en defensie is dit mogelijk. Export van tanks en geschut in plaats van tomaten en sla?

Sinds de opheffing van het Warschaupact staat Polen voor zijn veiligheid op eigen benen. Polen ziet zich nu zowel in het westen als in het oosten geconfronteerd met machtige buurlanden. Niet dat nu onmiddellijk agressie dreigt maar de geschiedenis heeft Polen nu eenmaal geleerd, dat het land door zijn strategische ligging een factor van belang vormt voor de veiligheid in Europa.

De Centraal- en Oosteuropese landen hebben tevergeefs op de deur geklopt bij de Navo en de WEU. Dit wordt veroorzaakt door de heroriëntatie van de eigen veiligheidspolitieke rol (relatie Navo-WEU-EG), maar ook door een prudente houding ten opzichte van de Sovjet-Unie. Deze militaire grootmacht zal immers niet accepteren, dat na haar aftocht uit Oost-Europa, de Navo het veiligheidsvacuüm opvult. Polen is dus verplicht om een eigen nationaal veiligheids- en defensiebeleid te ontwikkelen waarbij een geloofwaardige defensie, zowel kwantitatief als kwalitatief, gehandhaafd blijft. Het economische hervormingsplan verdraagt zich echter niet met hoge defensiebudgetten.

Door de gewijzigde veiligheidssituatie heeft Polen zijn militaire doctrine herzien. Deze doctrine gaat er nu van uit dat Polen zijn grenzen aan alle zijden moet kunnen verdedigen. Dit betekent dat de eenheden die tot nu toe voornamelijk in het westen van Polen waren gestationeerd verplaatst moeten worden naar andere delen van het land. Dit vergt grote investeringen op het gebied van infrastructuur. De nieuwe situatie betekent ook herstructurering van de strijdkrachten. Polen wil een kleiner máár moderner leger. De Sovjet-Unie heeft haar satellietlanden op materieelgebied altijd als "tweederangs' behandeld. De loyaliteit en betrouwbaarheid in een eventueel conflict werd in twijfel getrokken. Dit was de reden dat Polen niet het modernste materieel kreeg. Kwaliteit moet worden betaald en herstructurering levert, zoals ook in Nederland, niet onmiddellijk geld op. Sinds 1986 dalen de uitgaven voor defensie. Het budget voor 1991 bedraagt twee procent van het BNP (circa 4 miljard gulden).

Polen heeft weliswaar een eigen defensie-industrie maar deze is sterk verouderd. Het vertrouwen in de eigen wapensystemen is sinds de Golfoorlog sterk afgenomen. Een groot deel van het materieel van Irak was immers afkomstig uit Polen (Sovjet-licentie). Hier tekent zich een spanningsveld af tussen militairen en economische hervormers. Modernisering van de wapenindustrie staat haaks op de economische hervormingen. Om dit proces meer kans van slagen te geven is het van belang dat de defensie-industrie wordt geconverteerd. Maar dan moet modern materieel voor de eigen defensie van elders komen. Polen heeft echter geen harde valuta om in het Westen modern materieel voor zijn eigen defensie te kopen. Hoe kan dit vraagstuk worden opgelost?

Na de Tweede Wereldoorlog werden Westeuropese landen, waaronder Nederland, door de Verenigde Staten van defensiematerieel voorzien. De schaarse produktiemiddelen en beschikbare financiën konden op deze wijze voor de opbouw van de economie worden gebruikt. De rijke landen zouden thans ook de democratische Oosteuropese landen te hulp kunnen schieten door het financieren van vervangingsinvesteringen of door materieel ter beschikking te stellen. In de praktijk zou dit kunnen betekenen dat bijvoorbeeld Polen meer tanks en geschut verschroot dan op basis van het CSE-verdrag noodzakelijk is. Overtollig materieel uit andere landen (bijvoorbeeld de Leopard-1 uit Nederland) zou dan aan Polen kunnen worden overgedragen. Wellicht een curieuze situatie, waarin de Navo-landen prioriteit geven aan het ondersteunen van de hervormingsprocessen in Oost-Europa boven de materiële steun aan de eigen "arme' lidstaten zoals Portugal en Griekenland. Toch mag het effect, dat van zo'n hulpplan uitgaat, niet worden onderschat. In de eerste plaats wordt een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een geloofwaardige krijgsmacht in de betrokken Oosteuropese landen. In de tweede plaats kan de wapenindustrie op verantwoorde wijze worden geconverteerd waardoor de wapenexport naar Derde wereldlanden afneemt, hetgeen indirect leidt tot een stabielere wereld. In de derde plaats wordt geld vrijgemaakt voor economische hervormingen dat anders aan de strijdkrachten zou zijn toegewezen (zie hiervoor ook mijn recente Clingendael-publikatie "Warschau zonder Pact').

Deze gang van zaken zou ook sporen met de Nota Wapenexportbeleid van de Regering. Deze gaat uit van drie algemene criteria. Het mensenrechtencriterium, het spanningsgebiedcriterium en eventuele geldende internationale embargo's. Daarnaast, aldus de nota, kan wapenexport ook een bijdrage leveren aan de veiligheid van ongebonden landen. Het verschaft een land de middelen die het nodig heeft voor de eigen verdediging. Polen voldoet aan alle criteria en kan op die manier worden geholpen werkelijk op eigen benen te staan. Zo wordt het veiligheidsvacuüm toch nog een beetje opgevuld.

Foto: Poolse militairen (foto NRC Handelsblad- Vincent Mentzel)