Pakistan kan geen afstand van BCCI nemen; Agha Hassan Abedi verkocht niet alleen geld en invloed, hij verkocht ook dromen; Corruptie is zo gewoon dat politici niet eens de schijn van eerlijkheid ophouden

KARACHI, 22 AUG. “Agha Hassan Abedi is een nationale held”, verkondigde Jam Sadiq Ali, premier van de Pakistaanse provincie Sind, over de man die als eerste een multinationale bank met basis in de Derde Wereld opbouwde. Hoewel Abedi duizenden rekeninghouders, onder wie veel Pakistanen, heeft geruïneerd, verwoordde de bewindsman de gevoelens van veel politici, onder anderen premier Nawaz Sharif.

Nawaz Sharif zocht de oprichter van de Bank for Credit and Commerce International (BCCI) zelfs thuis op in Karachi, waar Abedi de grondslagen legde voor zijn snelle opkomst èn voor zijn diepe val. Niet alleen vragen de Verenigde Staten momenteel Abedi's uitlevering, hij is nog slechts een schaduw van zichzelf nadat twee hartinfarcten zijn mobiliteit en spraakvermogen ernstig hebben aangetast.

De tegendraadse reactie van Pakistaanse politici, zakenlieden en pers wordt niet zozeer ingegeven door medelijden met een oude, zieke man. Oorzaak is veeleer hun gekwetste trots, omdat een man die zo lang hun held was nu plotseling een schurk zou zijn. Het gevoel een nederlaag te lijden komt hard aan bij bewoners van een land dat, ondanks veertig jaar "onafhankelijkheid', op elk gebied afhankelijk is van het Westen, met name van de Verenigde Staten. En dat uit zich in verzet: de sluiting van de BCCI door de Bank of England, onderzoeken van een rechter in New York, hoorzittingen op Capitol Hill, de campagne van de media - het zou allemaal door de westerse bankwereld op touw zijn gezet, met behulp van Joods geld, in een poging de Derde Wereld te beletten toegang te krijgen tot de exclusieve club van internationale banken.

De sentimenten zijn in veel opzichten begrijpelijk. Zoals de BCCI veel ontwikkelingslanden en regionale instellingen tot voorbeeld diende, zo was de carrière van Abedi een succesverhaal waarmee veel mensen in deze arme landen zich konden identificeren.

Abedi, zoon van een bediende van de Nawab (heerser) van Mahmoudabad, nabij de Indiase plaats Lucknow, trok als jongeman naar Bombay om een baan te zoeken - jaren nadien liet hij zijn vrienden vaak de bank zien waarop hij toen had geslapen. Hij vond werk als boodschappenjongen bij de Habib Bank. Toen zijn verbazingwekkende mathematisch inzicht bleek, werd hij gepromoveerd tot kasbediende. Bij de scheiding van India en Pakistan, na de onafhankelijkheid, verhuisde Abedi met de bank naar Karachi, de toenmalige hoofdstad van Pakistan. Zonder daarvoor ooit te zijn opgeleid, toonde hij bijzondere financiële vaardigheid; gedetacheerd bij een noodlijdende machinefabriek wist hij binnen twee jaar een ommekeer tot stand te brengen. De eigenaren van die fabriek leenden Abedi het meeste geld toen hij besloot zijn eigen bank te beginnen.

Deze United Bank Limited (UBL) werd de modernste en snelst groeiende bank van Pakistan - tot Zulfiqar Bhutto in 1974 overging tot nationalisatie. Abedi was in die dagen echter al bevangen door grotere plannen: hij wilde een bank oprichten met wereldomspannende activiteiten. Dat werd de BCCI.

De bank had een vliegende start, omhoog gestoten door de petrodollars die het Midden-Oosten overspoelden na de door de OPEC veroorzaakte oliecrisis. Tegelijk bood de bank onderdak aan het geld van duizenden Pakistanen die naar de Golf-regio kwamen voor werk.

De snelle groei uit de beginperiode van BCCI, zo begreep Abedi, zou alleen kunnen worden vastgehouden als hij geld kon aantrekken dat andere banken lieten liggen omdat het een illegale herkomst had, en als hij leningen kon verstrekken zonder daaraan al te moeilijke voorwaarden te verbinden. Wat aanvankelijk voordelen waren geweest, een ongewoon soepele omgang met geld, voortkomend uit een lange traditie van geld lenen, en een groot talent om fondsen naar zich toe te trekken, keerde zich later tegen hem.

Abedi verkocht niet alleen geld en invloed, zo schreef het Pakistaanse tijdschrift Newsline later, hij verkocht ook dromen. Aan sjeik Zayeed uit Abu Dhabi bijvoorbeeld, de belangrijkste aandeelhouder van BCCI, die de ambitie had om van de BCCI tegen het jaar 2000 de grootste bank ter wereld te maken.

Belangrijker dan dat hij een Derde-Wereld-instelling verhief tot de rangen van de grote jongens, was - in psychologisch opzicht - het voorbeeld dat Abedi velen in de groeiende middenklasse in ontwikkelingslanden stelde. Heen en weer geslingerd tussen het dilemma van hun persoonlijke verrijking en nationale verarming, zagen zij in Abedi een man die succesvol en toch eenvoudig was, die Derde-Wereld-zaken steunde en toch Jaeger LeCoultre horloges droeg, die stijlvol gekleed was maar toch openlijk als soefi verlossing zocht.

“Hij liet ons zien hoe een professionele instelling zich laat combineren met zorg en aandacht voor verheven doelen”, zegt de vrouw van een zakenman uit Karachi. Vooral in het arme Pakistan, bevolkt door gelovige moslims, was Abedi de man met wie men zich kon vereenzelvigen wanneer de realiteit van politiek gerommel, economische stagnatie en internationale isolering te veel werd.

Pure hypocrisie van Westerse regeringen en pers heeft een ingetogen en afstandelijke benadering van de BCCI-affaire verhinderd, zo vinden velen uit de Pakistaanse zakenelite: werden Noriega en Marcos niet ook opeens tot misdadigers verklaard toen het Westen hen niet meer nodig had? Beiden waren ontvangen door Amerikaanse presidenten, gebruikt door Westerse geheime diensten en kind aan huis bij Westerse topbankiers.

En dan die speciale behandeling: als deze heren op bezoek kwamen, sloofden de grote Britse banken zich uit hen te voorzien van elke gewenste dienst, tot en met prostituees toe. En hoe zat het met drugs? “Er wordt gezegd”, zegt een winkelier in Karachi, “dat de BCCI gebruik maakte van drugsgeld en wapengeld en allerlei duistere transacties uitvoerde. Vertelt u mij eens: welke bank doet dat niet?” Het misbaar om vijf miljard dollar van de BCCI, zo luidt de opvatting, is buiten iedere proportie, gezien de honderden miljarden die verloren gingen in het recente Amerikaanse spaarbankschandaal.

Voor veel Pakistanen is duidelijk dat de BCCI door de internationale bankwereld wordt aangepakt omdat zij een bedreiging vormde voor hun zaken. Onder de aanhoudende aantijgingen in Amerikaanse en Europese media gaan veel Pakistanen (en waarschijnlijk ook bewoners van andere ontwikkelingslanden) voorbij aan de systematische overtreding van bankregels door de BCCI en haar criminele contacten. Tot vreugde van lokale politici, onder wie grote profiteurs van de BCCI-escapades, van wie een aantal voorop loopt om het Westen als schuldige aan de val van de BCCI aan te wijzen - daarmee keurig de aandacht van zichzelf afleidend.

Onthullingen over enorme sommen zwart geld die via de BCCI zijn doorgesluisd naar het Pakistaanse establishment doet de elite, fluisterend, alleen binnenskamers. Ook de oppositie houdt zich stil. De betaling van ruim 250 miljoen Pakistaanse rupees aan een Society for the Promotion of Engineering, Sciences and Technology in Pakistan (SOPREST) is politiek niet opgespeeld, hoewel niemand weet wat er met het geld is gebeurd. Een mogelijk verband met Pakistans geheime kernwapenprogramma houdt veel kaken op elkaar.

De minister van binnenlandse zaken kan de pers zelfs luchthartig vertellen dat Gaith Pharoan, een belegger en zakenman die als stroman van BCCI optrad bij verschillende louche zaken, een “persoonlijke vriend” is. Een mogelijke aanvraag voor het Pakistaanse staatsburgerschap, die Pharoan misschien doet om niet te worden uitgeleverd door Saoedi-Arabië aan de Verenigde Staten, zal welwillend worden bekeken.

Pakistanen zijn gewend aan zoveel corruptie dat veel politici niet eens de schijn van eerlijkheid ophouden. Tenslotte is in Pakistan alles - van politiek tot zaken - alleen aan de buitenkant fatsoenlijk. Een dun laagje parlementaire democratie verbergt dat politieke steun wordt verworven met geld, via familie- en groepsbanden of door pure chantage. De president zelf noemde vorig jaar, kort voor de nationale verkiezingen, de koehandel tussen politieke partijen een legitieme praktijk. En onlangs nog gaf een adviseur van premier Nawaz Sharif openlijk toe dat hij had geknoeid bij die verkiezingen. Even gangbaar is de heimelijke betaling van forse bedragen aan instanties die namens de overheid toezicht houden op een correct verloop van zakelijke transacties.

Wat Abedi in het groot en op internationale schaal heeft gedaan met de BCCI, is hetzelfde als wat veel Pakistanen in hun dagelijks leven zien gebeuren. Met dien verstande dat de flamboyante bankier het nog stijlvol deed, en hebzucht met vrijgevigheid combineerde.