Noordzeekanaal

Paul Vertegaal geeft in zijn artikel "Een brak Zuiderzeemuseum' (W&O van 8 augustus) een overzicht van een aantal soorten welke in het brakwatermilieu van het Noordzeekanaal en het IJ te vinden zijn.

Jammer is dat Paul Vertegaal ons boekje Haring in het IJ, de verborgen dierenwereld van Amsterdam (in juni van dit jaar verschenen) nog niet heeft gelezen, want dan hadden kleine missers in zijn artikel voorkomen kunnen worden.

Het boekje beschrijft het voorkomen en de verspreiding van zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en kreeftachtigen in en om Amsterdam.

In het artikel wordt de brakwatergrondel als enige "een echte brakwatervis' genoemd en wordt van hem gemeld dat hij "overal in het gebied te vinden is'. De brakwatergrondel kan een schommeling in het zoutgehalte van het water goed verdragen maar er zijn meer vissen die dit kunnen en zeker algemener in de Noordzeekanaalboezem voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn: dikkopje, bot, spiering en driedoornige stekelbaars.

Onderzoeken in opdracht van Rijkswaterstaat van Schaap (1981 en 1988) van Van Beek & Meijer (1989) tonen de brakwatergrondel voor de Noordzeekanaalboezem niet aan. De enige meldingen van de brakwatergrondel (1985 t-m 1990, zeven stuks) komen van onze hand. Vijf exemplaren werden aangetroffen in de trommelzeven van de koelwaterroosters van de Hemwegcentrale.

Dikkopjes werden hier in grote aantallen door ons verzameld. De verhouding tussen het aantal gevonden brakwatergrondels en dikkopjes lag in het jaar 1990 op ongeveer 1:500. Deze verhouding is op zich opmerkelijk daar beide vissen algemeen zijn langs de Nederlandse kust en je zou verwachten dat beide vissen in gelijke hoeveelheden te vinden zouden zijn. De oorzaak hiervan is ons onduidelijk.

Paul Vertegaal tekent in het figuur van de saliniteitstrajecten, de aanwezigheid van het Zuiderzeekrabbetje tussen 0 km (de sluisdeuren van IJmuiden) en 25 km (monding van het Noordhollandsch Kanaal). Het Zuiderzeekrabbetje - ook wel brakwaterkrabbetje genoemd - is door ons ook in het traject tussen de 25 km en de 28 km (Oranje Sluizen) in grote hoeveelheden aangetoond.

Aardig is misschien nog om te melden dat een restant van de oorspronkelijke populatie Zuiderzeekrabbetjes van het Noordhollandsch Kanaal - de laatste werden hier in 1963 gevangen - nog te vinden zijn in een klein deel van de Waddenzee waar bij de monding van het kanaal een brakwaterzone is ontstaan.

De zeeforel komt volgens een redactioneel bijschrift niet voor in het Noordzeekanaal. Niets is minder waar. Jaarlijks worden er door beroepsvissers in het Noordzeekanaal, het IJ en het Amsterdam Rijnkanaal, tientallen gevangen. Determinaties zijn door het RIVO in IJmuiden bevestigd en een zeeforel gevangen in de Suezhaven is in de collectie van het Zoölogisch Museum Amsterdam opgenomen.

Dit laatste geldt ook voor een zalm met een lengte van 68,7 cm en vol met kuit. De vis werd gevangen op de hoek van de Moezel- en de Westhaven. Een ander exemplaar, een mannetje van 73,9 cm werd in 1985 in de Aziëhaven bemachtigd.

M. P. Melchers G. Timmermans, Amsterdam

Noordzeekanaal (2)

Het geïnspireerde en onderhoudende artikel van Paul Vertegaal over het Noordzeekanaal (W&O van 8-8) heeft bij een aantal ingewijden aanleiding gegeven tot een reactie.

Uit het artikel blijkt niet dat Rijkswaterstaat (RWS) met betrekking tot het Noordzeekanaal juist veel onderzoek heeft uitbesteed. Van 1987 tot heden zijn minstens 7 onderzoeksrapporten verschenen over verschillende onderdelen van het ecosysteem van het Noordzeekanaal, die allemaal in opdracht van RWS zijn vervaardigd door biologen, werkzaam bij particuliere onderzoeks- en adviesbureau's of onderwijsinstelling. Het zou aardig geweest zijn indien in het artikel van het bestaan van deze instanties gewag gemaakt zou zijn.

Volgens contract worden alle resultaten van een in opdracht verricht onderzoek het eigendom van de opdrachtgever. Die kan er mee doen wat hij wil. Dus ook het ook laten verschijnen van een publikatie zonder bronvermelding, met daarin de spannendste momenten uit voornoemde 7 rapporten - waar tenminste 10 onderzoekers-auteurs bij betrokken waren. (In één geval had bij publikatie contractueel de naam van opdrachtnemer vermeld moeten worden).

Enkele illustraties bij de tekst van het artikel vragen om een reactie. De toevoeging ""Komt niet voor in het Noordzeekanaal'' had ook onder Gammarus pulex, Idothea balthica en Mysis relicta moeten staan. De eerste is een zoetwatersoort die door een combinatie van vervuiling en concurrentiedruk door een geïmporteerde Amerikaanse vlokreeft (Gammarus tigrinus) al lang niet meer in het kanaal en omstreken voorkomt. De tweede soort in het rijtje is de zeepissebed. Sphaeroma rugicauda, een brakwaterpissebed, komt wel in het kanaal voor. De derde soort (onbekend in Nederland) is een zoetwater aasgarnaal die soms in brakwater voorkomt. Hier had Neomysis integer genoemd meoten worden. Deze soort kan in het kanaal e.o. in grote zwermen aangetroffen worden. Daar waar de zalm bedoeld is, staat onterecht de zeeforel afgebeeld, die af en toe in het kanaal aangetroffen is. De verwisseling van de namen van de twee mosselsoorten en de verkeerde afbeelding voor de brakwaterpok sluiten dit rijtje onjuistheden af.

Bij de vervanging van de wetenschappelijke namen in de oorspronkelijke figuur met ""saliniteitstrajecten'', door Nederlandse namen, is Corophium lacustre vertaald met langsprietkreefje en ten onrechte voorzien van naam en afbeelding van C. volutator, een zoutwatersoort met enige tolerantie voor lagere saliniteit. Deze slijkgarnaal, zoals hij in het Nederlands wel genoemd wordt, kunnen we horen ""ruisen'' op het drooggevallen wad.

De echte brakwatervlokreeft is Gammarus duebeni, maar in het kanaal is deze inmiddels zeldzaam. In de figuur wordt de eerder genoemde G. tigrinus bedoeld.

In plaats van ""larve van zoetwatermug'' moet hier staan: larve van zoutwatermug. (Voorzover dit correct is). Het aardige is dat aan de oevers van het Noordzeekanaal de larve van een soort mug (Telmatogeton sp.) gevonden is die tot dan onbekend was voor ons land. De larve wordt elders gevonden in de mariene getijdezone (zout dus). In het kanaal kan de larve kennelijk lagere saliniteiten verdragen.

Amsterdam, Drs. Matthijs van Couwelaar Drs. Jan van Dijk, Stichting Ecotest,