Niet alleen vreugde over Rijn-convenant; Kwaliteit van baggerspecie zal tien procent verbeteren

FRANKFURT, 22 AUG. “Rijn en Noordzee zouden een vreugdesprong maken als ze wisten hoeveel minder gif ze in de nabije toekomst toegediend krijgen.” De opmerkelijke beeldspraak is van de Rotterdamse wethouder voor milieuzaken, A. Verbeek. Zij bracht daarmee haar eigen geestdrift tot uitdrukking, gisteren in Frankfurt na ondertekening van de Rijnovereenkomst tussen Rotterdam en de VCI, de branche-organisatie van de Duitse chemische industrie.

Het akkoord of convenant behelst een plechtige belofte van zo'n honderd ondernemingen, waaronder chemische giganten als Hoechst, Bayer en BASF, gezamenlijk hun lozingen van een reeks zware metalen en ander gif in de Rijn terug te dringen. In het belang van onder andere Rotterdam, dat al jaren gebukt gaat onder de last van vervuild havenslib, dat wordt opgeborgen in een peperduur depot, de "slufter' aan de rand van de Maasvlakte.

Als de Duitse bedrijven, via hun organisatie, zich houden aan de afspraak, die voorlopig tot 1995 loopt, zal de kwaliteit van de baggerspecie met ongeveer 10 procent verbeteren. Dit cijfer werd in Frankfurt genoemd door ir. N.P. van den Berg van het Rotterdamse havenbedrijf, tevens leider van de actie voor een schoner havenbekken. Daarmee leek de grondslag voor al die vreugde enigszins te wankelen.

Er zijn niet alleen meer bedrijfstakken in het geding (bijvoorbeeld de metallurgische industrie), meer soorten schadelijk afval (bijvoorbeeld olie) en meer landen (Frankrijk, Zwitserland en Nederland zelf), een complicatie is ook dat een aanmerkelijk deel van de vervuiling uit zogenoemde diffuse bronnen komt. Zo'n bron is de landbouw, die residuen van bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater laat vloeien, en ook het verkeer. Veel gif slaat neer uit de lucht en daarop heeft Rotterdam geen invloed.

Dat neemt niet weg dat de stad met haar campagne onder de naam POR (Projectonderzoek Rijn) een even ambitieus als concreet doel voor ogen heeft. In het jaar 2002 moet de baggerspecie weer schoon genoeg zijn om de massa zonder bezwaar voor het milieu in de Noordzee te storten. In dat jaar is namelijk het depot bij de Maasvlakte tot de rand toe gevuld en Rotterdam wil en kan zich geen tweede "slufter' permitteren. Dat alles betekent dat in 2002 de lozing van schadelijke elementen met gemiddeld 80 procent verminderd moet zijn.

Daar steekt die 10 procent verbetering die men tot 1995 via de Duitse chemische industrie denkt te bereiken, nogal karig bij af. “Het doel is inderdaad nog niet bereikt”, moest Van den Berg dan ook vaststellen, maar hij meende tegelijk, met wethouder Verbeek, dat de jongste overeenkomst uitzicht biedt op soortgelijke akkoorden met andere indivuele bedrijven of bedrijfstakken. Het Zwitserse Sandoz zegde Rotterdam vorig jaar al toe zijn lozingen van koper en chroom geleidelijk te zullen verminderen en er zijn gesprekken gaande met nog een ander chemisch concern in Bazel. Dat kan alleen òf Ciba-Geigy òf Hoffmann-La Roche zijn.

Het convenant dat gisteren in Frankfurt werd ondertekend - een privaatrechtelijke overeenkomst tussen een gemeente en een bedrijfstak - valt in elk geval, zoals VCI-voorzitter dr. W. Munde deed, te betitelen als een novum in de milieupolitiek. Het nieuwe is ook dat Rotterdam afziet van eventuele schadeclaims op de bewuste bedrijven aan de Rijn en haar zijstromen. “Zonder dat element had een overeenkomst voor ons ook weinig zin gehad”, aldus Munde.

Toch houdt Rotterdam de mogelijkheid van civiele procedures tegen onwillige industrieën als stok achter de deur. Zo'n proces is al aangespannen tegen de Franse kalimijnen wegens de afvoer van metaalhoudend slib. Van het Franse staatsbedrijf wordt honderd miljoen gulden geëist ter vergoeding van de schade die Rotterdam volgens de aanklacht heeft geleden en nog te lijden krijgt.

Behalve het POR is er ook ook een RAP: het Rijnactieprogramma van de gezamenlijke Rijnoeverstaten, dat beoogt de lozing van een reeks chemicaliën tussen 1985 en 1995 met de helft terug te dringen. Gisteren in Frankfurt bleek opnieuw dat de Rotterdamse bestuurders geen optimaal vertrouwen hebben in die internationale, politieke afspraak, die volgens hen niet ver genoeg gaat. Het convenant met de Duitse industrie wordt zowel qua rechtskracht als effect hoger aangeslagen. Een woordvoerder van de VCI wilde dat graag bevestigen: “Wij garanderen dat we ons aan het convenant houden.” Van den Berg: “Vergeet ook niet dat het actieplan van de regeringen een aantal stoffen onvermeld laat.” Hij doelde in het bijzonder op de beruchte pak's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en olie.

De olievervuiling is grotendeels een plaatselijk Rotterdams probleem, vooral veroorzaakt door lozingen dichtbij de monding van de Rijn: in Rijnmond. En daar is meer wat niet deugt, zoals kort geleden de Zuidhollandse Milieufederatie aan het licht bracht. Tientallen grote ondernemingen, waaronder raffinaderijen, op- en overslagbedrijven, producenten van bestrijdingsmiddelen, kunstmest en grondstoffen voor plastics, lozen dagelijks schadelijke of ronduit giftige stoffen als kwik, cadmium, lood, fosfaat, olie en aromaten in de Rotterdamse havens. Twintig jaar na inwerkingtreding van de Wet verontreiniging oppervlaktewater (WVO) blijkt dat lang niet alle betrokken bedrijven over een passende WVO-vergunning beschikken. Enkele grote chemische industrieën, onder andere ICI en Dow Chemicals, hebben helemaal geen vergunning.

Ook de eigen stoep moet dus nog schoon, al was het alleen om de geloofwaardigheid van Nederland ten opzichte Duitsland, Frankrijk en Zwitserland te vergroten. Daar kan de gemeente Rotterdam niet onderuit en dat wil ze volgens Verbeek en Van den Berg ook niet. Samen met Rijkswaterstaat wordt gewerkt aan een plan om de lozingen in Rijnmond, zoals men het uitdrukt, “structureler aan te pakken dan nu gebeurt”. Wat het plan precies inhoudt, mocht gisteren in Frankfurt nog niet naar buiten komen. Dat wordt oktober of november.