Mollen mollen

Mollen zijn lief. Ze zijn klein, hebben een fluweelzacht zwart velletje, en ze zijn ook nog eens visueel gehandicapt. Het is, kortom, onrechtvaardig dat speelgoedwinkels geen knuffelmollen kunnen leveren, terwijl er wel knuffelolifanten en knuffelnijlpaarden zijn. De mol heeft een PR-probleem. Hij is weinig in beeld, werkt in de illegaliteit en maakt molshopen die op het gazon als lelijk worden ervaren. Molshopen in de wei doden het gras en bevorderen de groei van "onkruid'. Tussen het graan zijn ze een bron van zand in landbouwmachines, die ervan gaan knarsetanden. Dus de mollen moeten dood. Al moeten we ze opblazen.

De amateur gaat met een spade op de loer liggen tot hij zijn grasveldje in beweging ziet komen. De mol is dan ten dode opgeschreven, maar kan zich troosten met de gedachte dat zijn moordenaar eerst flinke wonden moet slaan in het gazon. De professional gebruikt vallen. In tegenstelling tot muizevallen moeten mollevallen bijzonder zorgvuldig worden geplaatst: onder de grond in een rit (mollengang) en wel in eentje die in gebruik is.

Molleklemmen zijn prijzig. De gebruiker wil ze met zoveel mogelijk rendement inzetten. De uitvinding uit 1959 van de Dokkumse ondernemer Willem van der Gang (sic!) beoogt daartoe bij te dragen. Het is een mollenloopsignaleringsapparaat. Het ding doet nog het meest denken aan een ouderwetse seinpaal. De paal (50 cm hoog) wordt in de grond verankerd en het sein rust via een stang op het plafond van de gang, dat eerst met de klomp is ingetrapt. Komt de mol voorbij, dan probeert hij verbaasd de schade te herstellen door de aarde weer omhoog te krikken. Het sein zal deze activiteiten verklikken en geeft daarmee de boer het teken dat in deze gang een val kan worden geplaatst.

Van der Gang verkocht destijds mollevallen en deed dit apparaat, in eigen beheer gemaakt, erbij cadeau (waarde in de jaren zestig circa anderhalve gulden). Zijn intussen verlopen octrooi heeft hem dus geen aanwijsbare revenuen opgeleverd.

Maar waarom zou je speuren naar in gebruik zijnde ritten, als je ze zelf kunt aanleggen? "Wij maakten als het ware een autobaan voor mollen', verklaart Gerrit Baars uit Dodewaard. Zijn octrooiaanvraag uit 1976 betreft een landbouwmachine voor achter de tractor die het graven van de gangen van de mollen overneemt. De boer houdt zo de eer aan zichzelf. Het apparaat trekt een mes verticaal door de grond en onderaan dat mes zit een "mol', een soort torpedo van 4 à 5 centimeter doorsnede. In de gang die aldus ontstaat deponeert de machine blokjes vergif.

"Bij een eerste demonstratie maakten we een grotere ravage dan de mollen deden', bekent Baars. "De boeren sprongen over de sloot en waren gelijk weg. Later hebben we het apparaat uitgebreid met een drukrol die boven de mol meteen de grond weer aandrukt. Dat werkte wel goed.' En waren de mollen zo dom om inderdaad de kunstgang binnen te wandelen? "We hebben wel eens klemmen gezet in zo'n verse kunstgang. Daar zaten dan binnen 10 minuten mollen in. Die kwamen natuurlijk af op de wurmen die ze daar konden vinden. Er kwam erg veel vraag naar de machines. Ik heb er zo'n 150 verkocht voor ongeveer 1500 gulden per stuk. Toen bleek dat het gif niet voldoende werd genuttigd. De mollen hadden liever die verse regenwurmen. We zijn er dus maar mee gestopt. Misschien zou je gewoon klemmen in de kunstgangen moeten zetten.'

Dat je voor een mol ook een valkuil kunt graven is een wel heel verrassend inzicht. De mollenvanger (uit 1975) van Wiebe van der Zee uit Varsseveld bestaat uit een kunstrit (bekleed met zand of klei om de mol niet af te schrikken) waarvan een deel is uitgevoerd met een valluik. Bij het binnenkomen moet de mol een pen opzij drukken en daarmee opent hij het valluik. Hij komt dan in een soort ton terecht waar hij niet meer uit kan klimmen. Het plaatsen van de val vereist flink wat graafwerkzaamheden, maar daar staat tegenover dat de val zichzelf weer op scherp zet. "In goeie gangen kun je 'm jaren laten zitten', verkondigt Van der Zee. En de gevangen mollen dan? "Ik gooi er wat gif bij, anders sterven ze de hongerdood.'

De val is geen commercieel succes geworden. "Ik heb er wel wat verkocht, voor tweehonderdvijftig gulden, maar ze werkten niet zo goed. Wel als ik het zelf deed, ik hield dan rekening met de vochtigheid. Bij droogte laat de zandbekleding in de kunstritlos en moet je 't zelf vochtig houden. Maar een boer heeft het daar wel eens te druk voor.' De kosten en zijn gezondheid hebben Van der Zee gedwongen de ontwikkeling te staken. Het is niet zijn eerste mislukking geweest. Eerder had hij een kapstoel voor schapen uitgevonden ("Nee, niet voor de schapenscheerder, voor het schaap zelf!') maar die verscheen op de markt nadat hij er het nodige over had losgelaten tegenover zich als journalisten presenterende personen. "Ach, wie 't langste leeft heeft toch alles', zegt Van der Zee berustend.

Al dat woelen en graven moet niet nodig zijn. Antonius Pot uit Dalfsen, pas nog in het nieuws met een handig meeneemklapstoeltje voor op de fiets, heeft twee mollenklemmen op zijn naam staan die zonder spitwerk in stelling kunnen worden gebracht. De een kan in de verticale gang worden gestoken die bij de molshoop aan de oppervlakte komt. Als de mol een nieuwe lading overtollige aarde wil buiten zetten ontgrendelt hij de klem en tsjak! De andere val is een soort ondersteboven geplaatste dubbele guillotine. De val wordt met een grondplaat op de bodem gezet boven de rit. Met een trap van de voet kan de gebruiker twee horizontale messen tot in de vloer van de rit jagen, waarmee hij tegelijkertijd de klem spant. Een lip die de zaak vergrendelt rust op de grond boven de rit. Een passerende mol drukt van onderen tegen de grendel juist op het moment dat hij met zijn lichaam tussen de grondplaat en een van beide messen zit. De messen schieten omhoog en de mol is er geweest.

De plaatjes wekken misschien de indruk dat de mol bij deze twee vallen finaal doormidden wordt geslagen. Dat is niet het geval. Bij de definitieve uitvoeringen zijn de messen met opzet zo bot mogelijk uitgevoerd om de vacht van de mol niet te beschadigen. Zo kunnen ze nog in bontjassen worden verwerkt, aldus uitvinder Pot. In theorie tenminste, want het gebeurt volgens hem weinig meer.

Pot verkoopt naar eigen zeggen 20.000 klemmen per jaar in Nederland, Belgie en Duitsland (waar mollen beschermd zijn). "Een boer is vrij slordig. Als-ie er het ene jaar 5 koopt, moet-ie er het volgende jaar 10 hebben. Ze laten ze staan, ze rijden ze kapot.' Hij heeft octrooi op een van de klemmen in Duitsland. In Nederland is het voor beide bij een aanvraag gebleven. Pot heeft het daar expres bij gelaten. "Na de aanvraag kun je de zaak zeven jaar laten rusten voor je beslist of je doorgaat. In die tijd kan ik erachter komen of er een markt is. Zo niet, dan spaar ik de kosten van een octrooi uit. Is er wel een markt, en is er na zeven jaar nog geen concurrentie, dan is een octrooi ook niet nodig. Ik heb dan al de markt in handen en ik ben al uit de aanloopkosten. Dus een concurrent heeft dan weinig kans. In ieder geval kan na een aanvraag niemand anders meer een octrooi krijgen op hetzelfde. Mijn zoon is doctorandus, die zoekt dit soort dingen voor me uit.'

Wat wordt Pots volgende uitvinding? "Nee,ik stop d'r nu mee. Het is verschrikkelijk veel werk. Niet zozeer het uitvinden als wel het op de markt brengen. Ik verdien niet slecht. Zo is het wel genoeg.' Uitvinden hoeft geen natuur te zijn. Het kan een keuze wezen.

Soms spreekt uit een uitvinding pure razernij. Het Amerikaanse octrooi 3.140.556 uit 1961 beschrijft een automatisch kanon ter bestrijding van molletjes. Het staat op naam van de boordwerktuigkundige in ruste Richard C. Wagner uit Fresno, Californië. Het geval wordt in de gang gegraven en zodra de mol op een plaatje trapt of er aarde op duwt slaat er een hamertje tegen de acterkant van het geschut, dat daardoor afgaat. "Hoeveel aarde die mol ook voor zich uit duwt, zo'n kogel komt er doorheen', stelt Wagner, dertig jaar na het verkrijgen van zijn octrooi, op 82-jarige leeftijd. 'Ik had een nogal groot gazon en ik had alles al geprobeerd. Maar die klemvallen werkten gewoon niet. Ze vangen aarde, geen mollen. Op een dag kwam ik bij het maaien weer zo'n vervloekte mollengang tegen. Halverwege het gazon had ik een idee en voor het avondeten had ik m'n eerste prototype ingegraven. Onder het eten hoorde ik het ding afgaan. Ik ben naar buiten gegaan met z'n keukenpincet, waarmee koks donuts uit het vet opvissen. Toen ik het gat openmaakte zag ik de aarde al nat worden van het bloed, en daar had ik 'm. 100% succes, de eerste keer!' besluit hij zijn verhaal vergenoegd.

Een de verkoopcijfers? "Nee, geen vuurwapenfabrikant of vallenmaker durfde daaraan te beginnen. De wet verbiedt hier vuurwapens die automatisch afgaan, en er zijn geen uitzonderingen voor ondergronds geschut. Maar ik heb ze zelf vaak genoeg gebruikt, tot ik te oud werd om nog veel te graven.'

De methode van Wagner moge wat ruw overkomen, hij is intussen verfijnd. Twee Franse bedrijven hebben octrooiaanvragen ingediend voor landmijnen tegen mollen. Mis schieten kan dan niet meer en paradoxaal genoeg is het veiliger. "Bij proeven is gebleken dat de mol een betrekkelijk teer wezen is... Het is derhalve mogelijk de mollen te vernietigen door het doen ontploffen van zwakke pyrotechnische ladingen...'

Veilig voor de gebruiker en zijn huisgezin, en als bonus blijkt dat prachtige vachtje ook nog heel te blijven. Het is een vorm van doodknuffelen.