"Levensgevaarlijk als politiek grotere greep op het universitaire onderzoek krijgt'; Nieuwe VSNU-voorzitter Van Lieshout over de toekomst van het hoger onderwijs

Begin september neemt hij officieel afscheid, maar zijn kamer aan de Nijmeegse Universiteit is al ontruimd. Deze week is W.C.M. van Lieshout (63) in Utrecht begonnen aan wat vermoedelijk zijn laatste klus in het Nederlandse hoger onderwijs zal zijn: het voorzitterschap van de Vereniging van samenwerkende Nederlandse universiteiten (de VSNU ). Als voorzitter van het college van bestuur in Nijmegen schreef hij in 1984 de "geboorte-akte' van de VSNU. Bijna zes jaar na de oprichting begint volgens hem de Vereniging aan een tweede jeugd. ""De universiteiten laten zien dat ze wel degelijk tot verantwoord zelfbestuur in staat zijn.''

Vier klassieke universiteiten, gericht op de opleiding tot onderzoeker, zal Nederland in 2000 tellen. Daarnaast zo'n acht "moderne' waar onderwijs en onderzoek anders zijn georganiseerd dan bij de huidige universiteiten en die hun opleidingen richten op maatschappelijke functies. Ook zijn er rond de eeuwwisseling zo'n twintig hogescholen, waar multidisciplinaire opleidingen centraal staan en nog eens een kleine dertig "bijzondere instituten' voor gespecialiseerde opleidingen, zoals die tot leraar, of voor groepen die het hoger onderwijs op hun godsdienst willen baseren.

Het is een plaatje van het hoger onderwijs dat de nieuwe voorzitter van de Vereniging voor samenwerkende Nederlandse universiteiten (VSNU ), W.C.M. van Lieshout in 1984 als ""niet zo onwaarschijnlijk'' karakteriseerde in een afscheidsbundel die de titel In verscheidenheid naar samenhang kreeg.

Zeven jaar later bekent hij dat sinds die tijd "over maar één ding fundamenteel anders is gaan denken: ""Het geloof dat je het hoger onderwijs vooruit brengt door er in systemen en instituties over te denken - en zo ook te willen sturen - heb ik verlaten. Je moet wel weten in welke richting het vermoedelijk zal gaan - en vindt dat het moet gaan. De ontwikkelingen in de maatschappij bepalen veel meer wat er in het hoger onderwijs gebeurt dan allerlei schetsen van de toekomst. Maar het is wel nodig dat je aangeeft in welke richting koers moet worden gezet. Dat maakt het mogelijk dat je de belemmeringen die het hoger onderwijs op die weg kan tegenkomen op kunt ruimen.''

Van Lieshout vindt zijn destijds gemaakte schets van het hoger onderwijs nog steeds realistisch. ""Ik verwacht dat als het hoger onderwijs de ruimte krijgt, de universiteiten en hogescholen die richting zullen inslaan. Ze zullen fuseren, opleidingen van universiteiten en hogescholen zullen worden samengevoegd. Er komen nieuwe definities van universitair onderwijs en hoger beroepsonderwijs. Dat hoef je van bovenaf niet te sturen. Of en in welke mate dat gebeurt hangt af van regionale omstandigheden, van de visie van de bestuurders, van de zelfverzekerdheid van de universiteiten en hogescholen.''

Maar voor het zover is moet er nog wel het nodige veranderen. In de wet op het hoger onderwijs die op dit moment bij de Tweede Kamer in behandeling is, maar ook binnen zijn VSNU. Volgens Van Lieshout staat de vereniging op de drempel van haar tweede jeugd en gaat zij de komende jaren een andere koers varen. ""Daarbij moeten we de tot dusver bereikte resultaten onder de korenmaat vandaan halen. Het is bijvoorbeeld echt indrukwekkend wat de universiteiten al hebben bereikt bij de kwaliteitsbewaking op het gebied van het onderwijs en onderzoek. Het is toch te gek dat daarvoor in het buitenland aanzienlijk meer waardering bestaat dan in Nederland.''

De veranderingen moeten de VSNU afhelpen van haar imago van een papier verplaatsende organisatie, waarvan de leden altijd verdeeld zijn, en die alleen eendrachtig zijn als er "neen' tegen Zoetermeer moet worden geroepen of als er om meer geld wordt gevraagd. Volgens Van Lieshout beseffen de colleges van bestuur van de universiteiten dat de VSNUniet op de oude voet door kan gaan. Voor zijn benoeming eiste hij ook de steun van de colleges van bestuur voor een andere aanpak. De oud-voorzitter van het Delftse college van bestuur (en oud-minister) H.J. Zeevalking moest als "formateur' per taxi verscheidene malen het land rond voordat niet alleen Van Lieshout acceptabel was maar ook de colleges op de lijn van Van Lieshout zaten.

Niet slecht gedaan

De voorzitter, die in 1984 ""in een weekend'' de beleidsnota schreef die de basis voor de VSNU zou gaan vormen, vindt overigens dat de vereniging het in die eerste jaren niet slecht heeft gedaan. Hij wijst er op dat de universiteiten begonnen in heel andere omstandigheden dan op dit moment. Zijn terughoudendheid van destijds om van de VSNU een krachtige organisatie te maken die namens universiteiten beslissingen kon nemen wijt hij aan de de nog matig ontwikkelde autonomie van de instellingen in het begin van de jaren tachtig. ""Die situatie is sindsdien sterk verbeterd'', meent hij.

De slagvaardigheid van de VSNUwil Van Lieshout vergroten. Hij kondigt een discussie aan over de huidige besluitvormingsprocedures. De rol van de vereniging zal ook duidelijker worden, meent Van Lieshout, als zij als werkgeversorganisatie gaat optreden die namens de universiteiten over de arbeidsvoorwaarden met de vakbonden onderhandelt. Of voor de universiteiten een goede wachtgeldregeling op poten zet die de risico's voor de afzonderlijke instellingen verkleint.

Van Lieshout verwacht dat het belang van de VSNU als gesprekspartner namens de universiteiten de komende jaren fors zal toenemen. Natuurlijk zal zij geen poging doen namens de universiteiten op te treden op terreinen waar deze elkaars directe concurrenten zijn, al ziet hij daar wel een regulerende taak voor de VSNU. Zo vindt Van Lieshout dat de VSNU zich niet moet bemoeien met de verdeling van het budget over de afzonderlijke universiteiten. Dat moet elk van de universiteiten zelf maar met Ritzen regelen vindt hij, hoewel die directe bemoeienis van de minister voor hem geleidelijk aan "een gruwel' is geworden. Niet zozeer doordat de minister de universiteiten gemakkelijk tegen elkaar kan uitspelen maar vooral omdat de minister zo een te directe greep op het universitaire onderwijs en onderzoek heeft. Van Lieshout vindt daarom ook dat er een onafhankelijke adviesraad moet komen die de minister, gemotiveerd maar ook vrij dwingend adviseert over de toewijziging van het geld over de universiteiten.

De nieuwe voorzitter keert zich ook fel tegen de pogingen van minister Ritzen (onderwijs) om de politiek een grotere greep op het universitaire onderzoek te geven. ""Dat is levensgevaarlijk. Politici zijn immers voornamelijk korte termijndenkers, terwijl onderzoek meestal een zaak van lange adem is. Natuurlijk mag de politiek aangeven wat zij als prioriteiten ziet, het is aan de universiteiten vervolgens zelf om de bepalen of zij binnen hun budget daar rekening mee kunnen houden'', aldus Van Lieshout. ""Als de politiek een probleem van groot maatschappelijk belang acht ligt het ook voor de hand dat daarvoor dan ook geld op tafel komt. Dat hoeft niet altijd van de minister van onderwijs te komen. Als het bijvoorbeeld eeen milieuprobleem is zou de minister van VROM daarvoor moeten betalen.''

Maar Van Lieshout moet niets hebben ""van een minister die binnen het bestaande budget aangeeft waar de prioriteiten moeten liggen, zoals Ritzen wil, en die bovendien de universiteiten met de gevolgen ervan opdraait, in de vorm van het wachtgeld dat dan voor rekening van de universiteiten komt.''

Te plooibaar

De voorzitter van de VSNU is eigenlijk helemaal niet tevreden over de minister. ""De minister is te plooibaar, zodat vaak onduidelijk blijft wat is afgesproken. In feite ontbreekt het aan visie en aan consistentie in zijn opvattingen''. Van Lieshout moet daardoor ""helaas'' ook bij het hoger onderwijsbeleid van de minister de nodige vraagtekens plaatsen. Zo kenschetst hij de veranderingen die Ritzen in het door Deetman ingediende voorstel voor een wet op het hoger onderwijs heeft aangebracht ""als misschien wel goed bedoeld, maar je ziet dan dat de minister de universiteiten meer vrijheid belooft en ze vervolgens onder curatèle plaatst.''

Het ontbreken van een consistente visie leidt tot ad hoc beleid, aldus Van Lieshout. Een voorbeeld daarvan vindt hij de manier waarop Ritzen de studievoortgang wil versnellen. ""Ik ben voorstander van een bindend studie-advies, ik heb dat ook in de universiteitsraad verdedigd. Maar de wijze waarop de minister dat vervolgens vorm geeft lijkt nergens op, is ook niet behoorlijk in een breder kader ingebed. Het resultaat is dat iedereen de egelstellingen betrekt en er geen behoorlijke discussie komt over studievoortgang, over studierendement, over de inrichting van het onderwijs en de studiefinanciering.''

Volgens Van Lieshout had Ritzen een jaar geleden moeten beginnen ""met een discussie over wat volgens hem de hoofdlijnen van het hoger onderwijsbeleid zijn, dan had het hoger onderwijs geweten waar de minister heen wil, hadden universiteiten en hogescholen samen met hem daar invulling aan kunnen geven. Dan was er misschien ook gesproken over de rol van de nieuwe onderwijstechnologie die, zo weet ik zeker, een belangrijke bijdrage kan leveren aan de broodnodige verbetering van het onderwijs. Nu worden universiteiten en hogescholen echter voortdurend met ad hoc-maatregelen geconfronteerd.

""De universiteiten zullen niet alleen daarom in de toekomst minder reageren op de post uit Zoetermeer. De nadruk komt veel meer te liggen op het ontwikkelen van een eigen visie op de uitdagingen waar het hoger onderwijs voor staat. De universiteiten zullen nog meer dan tot nu laten zien dat ze heel goed in staat zijn tot verantwoord zelfbestuur.''