'Ik wil het normale verouderingsproces begrijpen'

Albert Kok (1939). “Eigenlijk zou het deze foto moeten zijn, maar dat kan niet vanwege die anderen die erop staan.” Daar zit hij, onherkenbaar door de inmiddels weggeslonken bolle wangen, temidden van vier in de lens lachende jonge mensen aan een tafeltje waarop een perzisch kleedje ligt en wat onduidelijk eetgerei: gezellig! “Toen was ik 24, 25 en eigenlijk voel ik me nog een beetje zo.” Begin jaren zestig in Leiden.

“Een heel leuke tijd, die studententijd. Een bevrijding van dat hele geregelde, saaie, strakke schoolleven. Ik heb toen een paar jaar voor het NBBS gewerkt en op deze foto gingen wij naar een bal, het Semprebal, waar ik zou gaan barkeepen. Dat werd toen een heel geslaagde avond.” Hij studeerde psychologie. “Eigenlijk een rotvak omdat het zo moeilijk is. Soms denk ik: waarom ben ik niet gewoon medicijnen gaan studeren. Dan doe je iets wat concreet is en waar wat uitkomt. Want waar is in dit vak sprake van vooruitgang? In de natuurwetenschap en in de biochemie worden er gigantische sprongen gemaakt, maar de psychologie blijft maar doortobben met dezelfde problemen. Maar ja... het is toch iets waarmee je vergroeid raakt hè?”

Na zijn studie werkte hij eerst in Amsterdam aan het Jan Swammerdam Instituut en daarna vier jaar in Utrecht. “Toen ben ik naar de VU verhuisd, van '71 tot pak-weg '87 en daarna ben ik naar de Universiteit van Amsterdam gegaan, omdat ik daar hoogleraar kon worden in mijn vakgebied: fysiologische psychologie, ook wel aangeduid als psychofysiologie. Een specialisatie binnen de gedragswetenschappen waarbij sterk de nadruk wordt gelegd op het verband tussen het psychologische en het biologische. Hersenen en gedrag. We houden ons in feite bezig met dezelfde zaken als de experimentele psycholoog - bewustzijn, geheugen, taal en aandachtfuncties - maar dan meer vanuit een biologisch perspectief. Meer een benadering vanuit het organisme. De oude psychologie, met name de cognitieve psychologie, vond het helemaal niet belangrijk dat taal en geheugen en denken te maken hebben met de hersenen; dat werd allemaal puur vanuit de psychologie benaderd. Eigenlijk heel gek. Maar wij hebben dus een laboratorium waar we hersenfuncties kunnen meten waarbij we proberen een soort model te bouwen om begrip te krijgen van wat er gebeurt met mensen in de leeftijdsspanne van 20 tot 70, 80 jaar. Het normale verouderingsproces: wat zijn daarvan kenmerken in termen van mentale functies en in termen van breinfuncties. Met name de functies die achteruit gaan als gevolg van het ouder worden. Informatieverwerking, geheugen en de functies die te maken hebben met "snel'. Snel reageren; aandachtfuncties.”

Hij was er toen hij nog op de VU werkte al aan begonnen. “Vroeger voelde ik er niet veel voor. Ik dacht: ouder worden, dat schept toch geen echt nieuw theoretisch probleem? Maar een voormalig collega daar zei: veroudering, daar zit toekomst in, daar zit goud in! Ik heb toen een promovendus begeleid op dat terrein, aan de VU, en ik heb het zo'n beetje meegenomen naar de UVA. Het is een 6, 7-jarig programma en ik hoop een paar goede promovendi af te leveren.”

Het onderzoek richt zich - en dat lijkt onvermijdelijk - vooral op het aftakelingsproces. “Als je dat hele domein bekijkt van wat dan tegenwoordig heet "cognitieve veroudering', dan gaan vooral de functies waar ik me mee bezig houd, de zogeheten "fluïd functions', achteruit. En het primaire doel van ons onderzoek is om daar meer inzicht in te krijgen. Men gaat er vanuit dat er straks een enorm tekort zal ontstaan aan experts. Over vijftig, zestig jaar zal de bevolking er qua samenstelling heel anders uitzien en dan moet je weten: wat kunnen oudere mensen nog doen? Waarmee kun je ze nog belasten? Zo is er een nieuwe richting ontstaan die wel aangeduid wordt als gerontotechnologie, of gerontoërgonomie, de aanpassing van de techniek. Denk aan computerfaciliteiten, aan verkeerssituaties die moeten worden aangepast aan de oudere verkeersdeelnemers.

Een tweede belangrijk aspect van ons onderzoek is dat we een normgroep kunnen opleveren voor het abnormale verouderingsproces waar met name de medici en de klinisch psychologen mee bezig zijn. Dus wat is nou de ziekte van Alzheimer: een echte ziekte die ontstaat bij mensen die daar aanleg voor hebben of is het een proces waar op den duur iedereen mee te maken krijgt als hij maar oud genoeg wordt? Een normale referentiegroep die tot dusver ontbreekt: hoe werkt het brein van een gezonde doorsnee zeventiger onder normale omstandigheden? En onder invloed van koffie of alcohol? Of onder moeilijke omstandigheden, - lawaai bij voorbeeld of gebrek aan slaap? Wat zijn de effecten daarvan op jongere mensen en wat op de ouderen, de 60-plussers?''

Alleen wat die slaapdeprivatie betreft komen de ouderen er beter uit. “Heel interessant: zo'n nacht zonder slaap had bij jongeren een veel negatiever effect op hun stemming dan bij oudere mensen. En bij de reactietaken hebben ze er meer last van dan ouderen.”

Albert Kok wordt niet vrolijk van wat hij uit zijn onderzoek leert. “Dat beeld van de oude dag is een mooie periode want dan zijn de kinderen het huis uit en ja, waar moet je je dan nog zorgen over maken behalve dan over de dood: ik denk dat dat een heel optimistisch beeld is. Ik denk ook dat dat beeld van de wijsheid die zo ongebreideld toe zou nemen heel erg tegenvalt. Oude mensen zijn helemaal niet wijzer; die worden eigenlijk vaak een beetje kinderachtig en vervelend en geborneerd.”

Die wijsheid valt onder de zogeheten "crystallized functions'. “Algemeen wordt aangenomen dat die natuurlijk accumuleert. Er wordt meer kennis opgeslagen, maar het probleem is dat die kennis ook aftakelt. Informatieverlies dus, als gevolg van het ouder worden, deels omdat de mensen minder in staat zijn om nieuwe informatie op te slaan en ook omdat ze die oude informatie niet meer volledig kunnen benutten. Ik denk dat het een algemeen misverstand is dat oudere mensen zich heel veel van vroeger herinneren en weten te benoemen. Ik heb het nu over het lange termijn-geheugen: het kennisbestand neemt toe maar men kan er niet altijd even makkelijk bij. Het zit allemaal in een grote bibliotheek maar de bibliothecaris heeft zijn kaartenbakje omgegooid. Overigens houden wij ons in het laboratorium vooral bezig met het korte termijn-geheugen, het opbergen en verwerken van die informatie. Ook hier treedt in het brein functieverlies op. Denk maar aan dat spelletje waarbij een aantal mensen in een kring zit en elkaar een bepaald woord doorgeeft, een moeilijk woord dat dan helemaal vervormd aan het eind van de kring terugkomt. Dat treedt bij jonge mensen op maar bij ouderen in veel sterkere mate. Halverwege zijn er elementen als het ware uitgevallen; dat is vergelijkbaar met mensen die er eventjes niet zijn zodat er een gat is ontstaan waardoor het bericht een grotere afstand moet overbruggen. Oudere mensen kunnen deze vorm van functieverlies gedeeltelijk compenseren door er meer tijd voor uit te trekken. "Wie was dat ook al weer?' Als je oudere mensen de tijd gunt kunnen ze die verloren gegane informatie nog wel terugvinden. Sta je ze die tijd niet toe dan gaat het fout.”

Aan geheugentraining gelooft hij niet zo. “Daarvan zijn de resultaten toch wel erg negatief. Het onthouden van nieuwe telefoonnummers, het uit het hoofd rekenen: dat kun je natuurlijk oefenen tot je een ons weegt en het levert ook wel iets op maar het rendement is erg klein. Er is ook een theorie dat oudere mensen eigenlijk net zo goed zijn in hun hersenprocessen als jongere maar dat ze aftakelen omdat ze minder betrokken zijn, minder bezig zijn. Maar dat is niet echt aangetoond. Ik denk wel dat oudere mensen door veel te doen en actief te blijven gewoon beter in staat zijn te "copen' met deze ingewikkelde maatschappij.”

Leuk vindt hij het dus niet: het ouder worden. Vooral niet als hij naar die foto van vroeger kijkt. “Ik was op die leeftijd vrij zorgeloos. Het moest allemaal nog gebeuren, alles hing nog in de lucht. En die gevaren die je nu ziet die zag je toen nog niet. Je bent in vele opzichten wat zekerder geworden omdat je je eigen mogelijkheden wat beter kent maar misschien daardoor ook een stuk onzekerder. En als je dan zo'n foto bekijkt dan denk je: God, wat is dat allemaal snel voorbij gegaan. Ik geloof ook dat het steeds sneller gaat. Die periode van 50 tot 60; voor je het weet ben je 61. Als je de geboorte en de dood vergelijkt met twee grote magneten zit je nu dus over de helft en naarmate je dichterbij de dood komt gaat de dood meer trekken, die magneet wordt sterker en sterker en dan gaat de tijd ook veel sneller. Wat ik hoop is dat ik behoor tot de categorie van mensen waarbij die biologische veroudering niet zo snel gaat. Dus dat je tot je 80ste op mentaal niveau goed functioneert. En dat je nog kan genieten van de zaken die je nu leuk of belangrijk vindt; de natuur en een glas wijn en zo. Met een bootje varen op een gladde Middellandse zee...”

Foto: Prof. Dr. A. Kok: "Ik hoop straks nog te kunnen genieten van leuke dingen'