Festivals kannibaliseren filmbezoek

De grote populariteit van de jaarlijkse filmfestivals in Rotterdam, Utrecht, Amsterdam en Middelburg maakt een ding duidelijk: de moderne filmbezoeker pikt steeds minder vaak zomaar een bioscoopje.

Het geklaag over het steeds maar afnemende bioscoopbezoek in Nederland lijkt geen betrekking te hebben op de belangstelling voor filmfestivals. Hoewel het belangrijkste festival, dat van Rotterdam (eind januari-begin februari), dit jaar enigszins pas op de plaats maakte, is de rek er nog lang niet uit voor de andere filmische evenementen in ons land. De indruk bestaat dat het huidige filmpubliek relatief minder geneigd is tot het routineuze bioscoopje pikken, maar liever afkomt op een door de media aangeprezen evenement. De grotere keuzevrijheid tijdens een festival, waar de bezoeker zich kan laten onderdompelen in een vloed van films, spreekt kennelijk tot de verbeelding, evenals de aangename randverschijnselen, het vermoeden van glamour, de exclusiviteit, de kans om sterren en regisseurs te ontmoeten, de onvermijdelijke talkshows en forumdiscussies.

De consequentie van deze ontwikkeling is dat het steeds moeilijker wordt voor festivalprogrammeurs om belangrijke nieuwe films te programmeren. Distributeurs en andere rechthebbenden begrijpen immers heel goed dat de festivals het bezoek tijdens de rest van het jaar kannibaliseren en stellen lastiger eisen aan het vertonen van hun films op festivals: slechts een of twee voorstellingen, en soms zelfs betaling. Bovendien wordt de concurrentie tussen de festivals onderling steeds scherper, zowel internationaal de wildgroei beperkt zich niet tot Nederland als nationaal.

Onlangs vertelde Jac. Goderie, programmeur van de Cannon-theaters in de Randstad, aan het blad SKOOP dat hij zich met hand en tand had verzet tegen de vertoning van sommige films door het Filmfestival Rotterdam. In Cannes waren al schermutselingen uitgebroken tussen de programmeurs van de Nederlandse Filmdagen en van Rotterdam over de vraag wie wat als eerste brengen mocht. Logisch, want de Filmdagen orienteren zich steeds meer op buitenlandse programma-onderdelen en Rotterdam begint zich onder leiding van de nieuwe directeur Emile Fallaux minder staphorstiaans op te stellen tegenover filmamusement.

Fallaux' debuut als festivalprogrammeur wordt met grote nieuwsgierigheid tegemoetgezien. Zal hij erin slagen Rotterdam te behouden als internationaal toonaangevend, eigenzinnig en uniek festival? En hoe verhoudt zijn smaak zich tot die van het filmhuispubliek, dat voor een deel drijft op de jaaroogst van Rotterdam? Het enige dat vaststaat is dat Fallaux in 1992 de nadruk zal leggen op produkties uit de toevallig net vijfhonderd jaar oude Nieuwe Wereld, waartoe zowel Nicaragua als New York behoren. Zeker zullen tot zijn keuze enkele toppers uit Cannes behoren, zoals Lars von Triers Europa, Jacques Rivettes La belle noiseuse en Atom Egoyans The Adjuster. Voor het overige kan Fallaux als programmeur van het Nederlandse top-filmevenement nog alle kanten op: van obscure underground tot, als Cannon het goed vindt, kwalitatief hoogwaardige Hollywoodhits.

De rest van de festivalkaart wordt gedomineerd door twee andere festivals: de Nederlandse Filmdagen in Utrecht (18-25 september) en het International Documentary Filmfestival Amsterdam (4-11 december). De Filmdagen staan dit jaar, zoals gebruikelijk, in het kader van de malaise in de Nederlandse speelfilmproduktie, maar misschien brengen de premieres van twee verfilmingen van door journalisten geschreven romans daar wel verandering in: De provincie van Jan Brokken door Jan Bosdriesz en Een zondagsjongen van Cherry Duyns door Pieter Verhoeff. Bovendien maakt de door minister d'Ancona geentameerde discussie over het functioneren van de filmsubsidiering in Nederland de palavers dit jaar mogelijk spannender en concreter. Ter vergelijking presenteert Utrecht dit jaar een dwarsdoorsnede van de recente produktie in Denemarken, een vergelijkbaar filmland, waar het misschien iets beter gaat. Een andere doorbraak in de vaderlandse filmindustrie is de explosie van tv-drama, die een belangrijke uitstroom van speelfilmtalent bewerkstelligde. In een zogenaamde "Soap-zapp-nacht' kan aan oudere en splinternieuwe dramaseries van eigen bodem gesnuffeld worden.

De vierde editie van het Amsterdamse documentairefestival staat nog in de steigers: in ieder geval wordt er aandacht besteed aan de documentaire traditie in Israel en aan het bestaan van een of meerdere Europese identiteiten. Ook de Joris Ivens Award wordt weer uitgereikt aan een van de ongeveer dertig documentaires in competitie.

Naast de Grote Drie van de Nederlandse festivals sieren zich steeds meer regionale of beperkt-thematische evenementen met die naam. Tot de belangrijkste in dat gezelschap lijkt uit te groeien het Filmfestival Zeeland, ideaal geplaatst aan het prille begin van het seizoen (12 tot en met 22 september). Tot de avant-premieres behoren zeker Gouden Palm-winnaar Barton Fink en nieuwe films van Kieslowski, Kurosawa en Chabrol. Ook is het niet uitgesloten dat een viertal films van het dan net afgesloten festival van Venetie direct doorreizen naar Middelburg. Het festijn wordt geopend door de Amerikaanse vice-president van het Time-Warner-concern, William van den Heuvel, die van Zeeuwse afkomst blijkt. Voorts bestaat het programma onder meer uit een hommage aan Paul Newman en Joanne Woodward, een selectie van films uit en over Zeeland en een bijzonder programma over Film en Landschap, getiteld Camera Natura. Naast een groot aantal experimentele films is daarin een deel van het werk van Michelangelo Antonioni opgenomen.

Niet elk jaar, maar toevallig wel dit najaar, vindt in Amsterdam (en vele andere steden) een aflevering plaats van twee thematische festivals: Africa in the Picture (september) en het International Gay & Lesbian Festival (december). Hoe men ook moge denken over de zin van een dergelijke programmering, de coordinatie van de festivalkalender, met zwaartepunten in september en december, laat enigszins te wensen over. Elk van deze festivals blijkt echter keer op keer zijn eigen publiek te vinden, juist omdat men is begonnen met een harde kern van fanatieke liefhebbers. In zekere zin geldt dat ook voor Rotterdam, het Documentairefestival en Utrecht, waar de filmmakers die rol aanvankelijk vervulden, en natuurlijk voor de jaarlijkse Amsterdamse griezelnachten (Weekend of Terror). De enige filmfestivals die in Nederland flopten waren pogingen van het bioscoopbedrijf om verwachte commerciele successen met enige voorpubliciteit op te sieren. Van bovenaf opgelegd werkt het mechanisme dus niet; misschien lijkt een festival als het een vroegtijdige dood gestorven Filmfestival Amsterdam in Tuschinski wel te veel op een bezoek aan de gewone bioscoop.