Een kale staak op de brandstapel

Proces de Jeanne D'Arc Regie: Robert Bresson. Met: Florence Carrez, Jean Claude Fourneau, Marc Jacquier. Amsterdam, Rialto; Utrecht, 't Hoogt.

Wie de film Proces de Jeanne D'Arc bekijkt, realiseert zich op de eerste plaats dat hij te maken heeft met een Klassieker, en dat het aardig is dat zo'n film opnieuw in de bioscoop te zien is. Robert Bresson maakte hem in 1961 en kreeg er op het Filmfestival van Cannes in 1962 een speciale jury-prijs voor. Sedertdien evolueerde hij tot het schoolvoorbeeld van de typerende manier waarop Bresson zijn films maakt.

Bresson verwerkte de geschiedenis van de eenvoudige boerendochter die van God zelf de opdracht kreeg 's konings leger aan te voeren tegen de Engelsen, zoals hij altijd al zijn materiaal heeft aangepakt: streng, zo sober mogelijk en ieder emotioneel effect vermijdend. Handelingen worden gereduceerd tot een embleem, gebeurtenissen samengevat in een fractie van wat ze teweeg brengen. Wordt er in een film van Bresson een moord gepleegd, dan krijgen we slechts de wasbak te zien waarin het bloed wegstroomt dat de moordenaar van zijn vingers wegwast. Zoiets kan door zijn ijzigheid feller inslaan in ons bevattingsvermogen dan uitgebreide beelden van een slachting, dat heeft Bresson afdoende bewezen.

Of de geschiedenis van Jeanne d'Arc geschikt is om te worden onderworpen aan Bressons "cinematographe' (zo betitelt hij zelf zijn aanpak) mag nu, nu Proces de Jeanne D'Arc bedaagd is en bijgezet als klassieker, kritisch worden bezien. Wie de film beschouwt naast bijvoorbeeld het veel recentere en in een hedendaagse wereld gesitueerde L'argent, ziet hoe gewrongen Bressons leerstellingen zijn wanneer hij ze toepast op een mythe. De tastbare realiteit onderwerpt hij ermee, maar een "bewezen' heilige als Jeanne D'Arc lapt Bressons lessen aan zijn laars. Mythen bestaan juist bij de gratie van emotie en effect. Neem je die weg dan wordt de mythe beroofd van haar essentie. Ze vervliegt, beledigd dat men haar wezen niet serieus nam en aanpakte als was ze te vergelijken met de tastbare realiteit.

Dat is vermoedelijk de reden dat Proces de Jeanne D'Arc weinig achterlaat. In de lijn van zijn hang naar reductie beperkte Bresson het verhaal van de Maagd van Orleans tot het proces, waar bevooroordeelde rechters haar als heks naar de brandstapel verwezen. Letterlijk citerend uit de notulen van het proces, dat zich afspeelde in de vroege lentemaanden van het jaar 1431, schreef Bresson de dialogen. Haar hele geschiedenis komt aan de orde, met de nadruk op de politieke en religieuze vetes waarvan zij de inzet was, maar nooit wordt er iets zichtbaar gemaakt. De film wordt opgetrokken op het stramien van vraag en antwoord, ook in zijn ongearticuleerd grijze beelden, die zo veel mogelijk zijn verdeeld in shot en tegenshot.

Het lijkt of Bresson zich de macht van de mythe realiseerde, want Proces de Jeanne D'Arc besluit met een uit de toon vallend, pontificaal wonder: wanneer de rookwolken van Jeannes brandstapel optrekken, zien we een kale staak: haar laatste gebed lijkt te zijn verhoord God heeft haar weggenomen eer de vlammen haar vlees konden schroeien. Maar dat wonder schiet zijn doel voorbij, omdat het vooraf wordt gegaan door de gruwel van een aangestoken brandstapel de directe emotie die dat, gratis en automatisch, te weeg brengt, kan zelfs Bressons "cinematographe' niet bedwingen.

Net zo min laat zich de buiten beeld uitgesproken openings-monoloog onderdrukken: het gevoel spat af van de getuigenis van Jeanne's moeder die in simpele taal haar kind verdedigt daar kan geen opzettelijk gebrek aan interpreterende intonatie iets aan verhelpen, ook niet na ruim vijfhonderd jaar. Maar soms maakt Bressons stijl scenes onbedoeld potsierlijk, bijvoorbeeld wanneer de samengestroomde meute haar uitscheldt. Ook dat schimpen gebeurt ontdaan van effect, met onbedoeld komisch resultaat. Het "verbrandt de heks!' klinkt op zo'n beleefde toon dat het lijkt of Bressons stijl hier werd gepersifleerd.

De personages komen tot leven volgens de Bresson-doctrine. Meestal vastgelegd in een roerloos medium-shot reciteren de acteurs (de meeste spelers zijn niet-professioneel) hun teksten zo onbewogen mogelijk. Ook al bevinden ze zich op betrekkelijk natuurgetrouwe locaties, voornamelijk in de rechtzaal en in Jeanne's cel, hun onderkoelde gedrag heeft niets met de realiteit te maken. Jammer genoeg gehoorzaamde Florence Carrez (als Jeanne) Bressons regie-aanwijzingen het trouwst: haar gezicht is een masker, haar stem monotoon. Haar lichaam het vrouwenlichaam in mannenkleren dat in combinatie met haar onverzettelijke geloof haar ondervragers in verwarring brengt is een ongeleide klomp. De bisschop die haar ondervraagt, kreeg gestalte van een acteur die zichzelf minder in de hand had. Zijn stem houdt hij vlak, de spieren in zijn gezicht ontspannen, maar hij kan het niet helpen: zijn ogen bliksemen. Het zal de bedoeling niet geweest zijn, maar het is een verademing en betekent een van de weinige momenten dat Proces de Jeanne D'Arc uitstijgt boven de steriele schoonheidservaring die de typische Bresson-kaders (strak) en -uitsnedes (geketende, slepende voeten, een starende oog, een scharrelend hondje) de kijker te bieden hebben.