Een gek soort Duits

In het buitenland wordt aan 140 universiteiten Nederlands gedoceerd. Aan belangstelling is geen gebrek. Wel aan geld, leermiddelen en videobanden van Koot en Bie.

In dertig landen buiten Nederland en België wordt op universitair niveau Nederlands onderwezen. Een belangrijk deel van de hoogleraren en docenten neerlandistiek extra muros ontmoeten elkaar volgende week op het alweer elfde Colloquium Neerlandicum in Utrecht (25-31 augustus). Tijdens dit wetenschappelijke congres - de onderwerpen variëren van intertextualiteit tot machinaal vertalen - komen tevens de problemen ter sprake waarmee de ruim 140 Nederlands docerende universiteiten nog steeds te kampen hebben. Aan belangstelling voor de Nederlandse taal is in het buitenland geen gebrek, wel aan goede leermiddelen, beurzen voor onderzoek en audio-visuele materialen. Het gemis aan een buitenlandse cultuurpolitiek wordt als zeer pijnlijk ervaren.

"Nederlandse journalisten die bij ons op bezoek komen reageren altijd weer verbaasd als zij horen dat hier in Amerika Nederlands wordt gedoceerd,' zegt Robert S. Kirsner, hoogleraar Nederlands en Afrikaans aan de Universiteit van Californië in Los Angeles (UCLA). "Ik begrijp daar niets van. Nederlanders zouden veel meer voor hun taal en cultuur moeten opkomen. Eigenlijk is het Nederlands te belangrijk om aan de Nederlanders zelf over te laten.'

Kirsner krijgt bijval van Paul R. Sellin, die aan de UCLA Anglo-Nederlandse relaties doceert. Beiden zijn Amerikanen, maar wie niet beter weet zou denken dat het Nederlanders zijn die enige tijd in de Verenigde Staten wonen. Ondanks hun Engelse accent zal men ze niet vaak op grammaticale onjuistheden betrappen. Alleen Kirsner onderbreekt zo nu en dan zijn betoog om te informeren of hetgeen hij zojuist heeft gezegd wel helemaal correct Nederlands is. In een land als de Verenigde Staten is het Nederlands nu eenmaal zo goed als onzichtbaar. Kirsner: "Op een intellectueel niveau weet ik natuurlijk donders goed dat Nederlands bij jullie de voertaal is, maar emotioneel denk ik wel eens: Hee, zelfs kinderen kunnen daar moeiteloos Nederlands spreken. Het is dus geen fictie. Het bestaat! Het leeft!'

Alleen fanatiekelingen

Nederlands in den vreemde wordt vaak gedoceerd door Nederlanders en Vlamingen, maar er zijn ook Polen, Italianen en Australiërs die zich de taal eigen hebben gemaakt. Meestal gaat het om eenlingen op een instituut Duitse taal- en letterkunde, zoals bij de UCLA. De cursussen van Kirsner trekken jaarlijks zo'n twintig studenten. "Alleen fanatiekelingen redden het. En dan heb ik het dus over studenten die woorden en uitdrukkingen op systeemkaarten zetten om ze uit het hoofd te kunnen leren. Ik zeg vaak tegen ze: U kunt het Nederlands beschouwen als een gek soort Duits. Maar ik wil wel dat ze na verloop van tijd Het Behouden Huis van W.F. Hermans kunnen lezen, om maar eens wat te noemen.'

Motieven om Nederlands te gaan studeren lopen nogal uiteen. Zo is kennis van het Nederlands en de Nederlandse cultuur geen overbodige luxe bij kunstgeschiedenis en koloniale geschiedenis. Sellin: "Als men gedegen onderzoek wil doen naar de geschiedenis van de Noordeuropese politiek, zal men Nederlandse bronnen moeten raadplegen. Een belangrijk deel van de vroegere geschiedenis van de Stille Zuidzee vindt men in de VOC-archieven, dat is onder Angelsaksische historici niet altijd bekend. Tot de achttiende eeuw gold in Nederland een unieke publikatievrijheid. Nederland heeft dan ook een aantal uitstekende geschiedschrijvers voortgebracht. Ook in literair opzicht is Nederland belangrijk geweest, ook al zul je dat de Nederlanders zelf niet zo gauw horen zeggen. Vergeleken met Franse renaissance-dichters vind ik het werk van mensen als Hooft en Huygens zelfs van een uitzonderlijk hoog niveau.'

Het enthousiasme voor de Nederlandse taal en cultuur wordt volgens beiden getemperd door het gebrek aan morele en materiële steun uit Nederland. Zoals bij de meeste universiteiten in de Verenigde Staten is het Nederlands aan de UCLA niet meer dan een bijvak. Kirsner: "Ik moet concurreren met het Duits, wat hier belangrijker wordt gevonden dan het Nederlands. We hebben Breytenbach hier gehad, maar zo'n bezoek moet eerst worden goedgekeurd door mijn collega's en het faculteitshoofd. Sommigen hadden nog nooit van die man gehoord.'

Andere universiteiten in de Verenigde Staten beschikken over ruimere financiële middelen. Aan de Universiteit van Berkeley bestaat al geruime tijd de "Prinses Beatrix leerstoel voor Nederlandse taal, letterkunde en cultuurgeschiedenis', die voor een belangrijk deel wordt gesubsidieerd door de Nederlandse Taalunie. De Vlaamse Gemeenschap bekostigt er de "Peter Paul Rubens Chair of History and Culture of the Low Countries'. Ook aan de Columbia Universiteit is een door het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en de Stichting Koningin Wilhemina Fonds gefinancierde leerstoel neerlandistiek.

Verder bestaat aan een aantal universiteiten een zogeheten writers-in-residence-programma. Schrijvers als Bert Schierbeek, Jan Donkers, Marja Brouwers en Christine Kraft hebben in het verleden aan de universiteiten van o.a. Austin, Ann Arbor, Minneapolis en Iowa City Nederlands gedoceerd.

Bij andere universiteiten is de situatie minder rooskleurig. Aan de Universiteit van Massachusetss in Amherst lagen de colleges neerlandistiek onlangs een jaar stil omdat aan de docent een sabbatical year was toegekend. Elders werden de cursussen na het vertrek van de docent geheel stopgezet.

Taalunie

Voor de subsidiëring van culturele activiteiten, docentenbijeenkomsten en audiovisueel materiaal zijn de docenten neerlandistiek extra muros aangewezen op de Nederlandse Taalunie, een intergoevernementele organisatie die in 1980 in het leven werd geroepen om de integratie van Nederland en Vaanderen op het gebied van de Nederlandse taal en letteren te bevorderen. Het gemeenschappelijk bepalen van de officiële spelling en spraakkunst heeft bij de Taalunie verdragsrechtelijk een hogere prioriteit dan het stimuleren van de Nederlandse taal en cultuur in het buitenland. Dat laatste is, zo benadrukt algemeen secretaris Oscar de Wandel, ook bepaald geen eenvoudige opgave. De geldmiddelen voor de Taalunie worden verstrekt door de schatkisten van Nederland en Vlaanderen. Het budget voor de neerlandici extra muros bedraagt ongeveer 1,4 miljoen gulden. Bijna de helft van dat bedrag gaat op aan salariskosten. Ook andere uitgaven, zoals bibliotheeksubsidies, liggen min of meer vast. De Wandel: "Wat er aan geld overblijft valt onder flankerend beleid. Helaas krijgen wij aanzienlijk meer subsidievragen dan we kunnen honoreren.'

Het aantal docentschappen Nederlands is sinds het begin van de jaren zestig enorm gegroeid. Alleen al in Europa is het aantal formatieplaatsen in twintig jaar verdubbeld. Wereldwijd zijn er ruim 250 docenten die zich verdienstelijk maken met de verspreiding van het Nederlands in den vreemde. Er zijn echter enorme verschillen in kwantiteit en kwaliteit. Sommige docenten zijn als professor verbonden aan een universiteit, terwijl anderen naast hun studie enkele uren per week assisteren bij het onderwijs van het Nederlands. Docenten die geen of een gebrekkige didactische opleiding hebben genoten, worden aangesteld op weinig aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden. Vacatures blijven onvervuld en niet zelden moeten posten worden opgeheven. Ondanks het relatief hoge aantal docentschappen geniet de Nederlandse taal, letterkunde en beschavingsgeschiedenis internationaal een gering aanzien. In Europa zijn er slechts acht landen waar Nederlands als hoofdvak gedoceerd wordt en buiten Europa niet meer dan drie (Verenigde Staten, Australië en Zuid-Korea).

Bij het toekennen van subsidies wordt voorrang gegeven aan landen binnen de EG of landen waarmee Nederland en Vlaanderen van oudsher historische banden hebben, zoals de Verenigde Staten, Australië en Nieuw-Zeeland. De Wandel: "Ons beleid is noodgedwongen gediversificeerd. Naast het universitaire onderwijs heeft ook het niet-universitaire onderwijs onze aandacht. De situatie ter plaatse is bovendien heel verschillend: het Nederlands is meestal een ondersteuningsvak voor de studie vergelijkende taalwetenschap of kunstgeschiedenis. In Seoul wordt door toevallige omstandigheden Nederlands op universitair niveau gedoceerd - moeten we dergelijke initiatieven negeren?'

Door reallocatie van middelen hoopt De Wandel de komende jaren meer aanvragen te kunnen honoreren. Het volledig of grotendeels bekostigen van docentschappen (onder meer aan de Universiteit van Londen) zal zoveel mogelijk worden beëindigd. Mogelijk zal het totale subsidiebeleid worden herzien.

Koot & Bie

Kirsner (UCLA) meent dat met er het oog op de taalvaardigheid eerst betere leermiddelen moeten komen, met name voor studenten buiten Europa, die niets van de Nederlandse cultuur afweten. "Het is van het grootste belang dat studenten zien dat het Nederlands een levende taal is. Ik heb wel eens stiekum waarschuwingsborden van de muren van het Bunge-Huis in Amsterdam gerukt om in de colleges te gebruiken: IN GEVAL VAN BRAND GEBRUIK GEEN LIFT! Het liefst zou ik videobanden van televisieprogramma's willen hebben, eventueel met Engelse ondertitels: Sonja Barend, Het Journaal, Sesamstraat of Koot en Bie, wat ik sowieso leuker vind dan Woody Allen. Aan Nederlandse films is al helemaal niet te komen. Wat moet ik met een in het Engels nagesynchroniseerde versie van Spetters? Dat is alles wat je hier in de videowinkels kunt krijgen.'

Geld om belangrijke Nederlandse schrijvers uit te nodigen heeft Kirsner evenmin. "De laatste vijf jaar hebben we Haasse, Nooteboom en Mulisch op bezoek gehad. Haasse was toevallig hier om de Amerikaanse vertaling van Het woud der verwachtingte promoten en ik heb echt moeten vechten om haar hier te krijgen. Haar uitgever was niet in universiteiten geïnteresseerd. Mulisch was toevallig in Los Angeles op uitnodiging van het Goethe Instituut. De schrijvers die we hier gehad hebben waren razend enthousiast, omdat zij studenten ontmoeten die een meer dan oppervlakkige belangstelling hebben voor hun werk.'

Kirsner heeft nog meer wensen: beurzen voor wetenschappelijk onderzoek, postdoctorale steun voor Amerikaanse studenten letterkunde en excursies naar Nederland bijvoorbeeld. "Het is van het grootste belang dat mijn studenten met de Nederlandse taal in aanraking komen. Ik moet de taal ook op peil zien te houden, anders ga ik net zo praten als jullie premier Lubbers, die we hier op de televisie Engels hebben horen spreken. Grammaticaal klopt het wel, maar het is toch niet het soort Engels dat wij als Engelstaligen gewend zijn te horen.'

Op dit moment kunnen anderstaligen die al een behoorlijke kennis hebben van het Nederlands elke zomer in Gent, Hasselt en Breukelen een cursus neerlandistiek volgen. De studiegroepen bestaan echter uit ongeveer vijftien personen en beurzen worden mondjesmaat verstrekt. "We hebben dit jaar 25 aanvragen voor die cursussen gekregen', zegt Paul Sellin. "Er konden er maar zes gaan. In Duitsland is men met het verstrekken van beurzen veel royaler.'

Algemeen secretaris Oscar de Wandel van de Nederlandse Taalunie is zich terdege bewust van de behoefte aan leermiddelen, gastdocentschappen en audiovisueel materiaal, maar hij heeft er het geld niet voor. Ten aanzien van de ontwikkeling van leermiddelen zal de Nederlandse Taalunie zich sowieso terughoudend opstellen. "Het is niet onze taak naar soort en inhoud leermiddelen te ontwerpen. We kunnen hooguit een financiële bijdrage geven voor de aanmaak van die middelen. Dat geldt ook voor audiovisueel materiaal. Tot dusver hebben we in samenwerking met andere instanties videomateriaal ontwikkeld dat onder de docentschappen Nederlands extra muros werd verspreid, maar films komen uit het commerci#ele circuit. Die zijn onbetaalbaar.'

Tevreden is hij met deze situatie niet. Met de "Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren' vindt De Wandel dat Nederland en Vlaanderen hun buitenlands cultuurbeleid beter zouden moeten coördineren. De Vlaamse minister Geens heeft vorig jaar al eens benadrukt dat "Nederland en Vlaanderen zich diepgaand zouden moeten bezinnen over de concrete vormen die de promotie van onze cultuur in het buitenland moeten aannemen'. Andere landen hebben dat al gedaan. Groot-Brittannië heeft al sinds 1934 de British Council, die tentoonstellingen van boeken en kunstwerken organiseert, bibliotheken en discotheken beheert (o.a. in Amsterdam) en daarnaast ook nog eens een maandblad publiceert. Frankrijk kent al sinds 1883 de Alliance Française, een vereniging van meer dan 1200 alliances die in binnen- en buitenland cursussen in de Franse taal geven of op andere wijze proberen bekendheid te geven aan verschillende uitingen van de Franse cultuur. Het Duitse Goethe Instituut heeft 150 zelfstandige vestigingen in 66 landen, waaronder Nederland. Kirsner: "Als Nederlanders in staat zijn om alcohol-vrij bier en elektrische scheerapparaten in de Verenigde Staten te verkopen, kunnen zij ook hun cultuur promoten.'

"Iedereen vraagt zich af waarom Nederland nog geen eigen Goethe Instituut heeft', zegt De Wandel. "Misschien komt het omdat Nederland een typisch mercantilistische natie is. Met de schepen van de VOC bevoer zij de wereldzeeën om uit verre landen specerijen op te halen en die in eigen land te verkopen. In zekere zin is dat nog steeds de mentaliteit. Maar als men in het buitenland laat blijken geïnteresseerd te zijn in hetgeen er in de Lage Landen gebeurt, dan denk ik dat we daar voortaan veel beter op moeten reageren.'