De stapsteen voor de cabaretier

In 1988 werd de Kleine Komedie in Amsterdam nog bedreigd met een subsidiestop. Nu is het belangrijkste kleinkunsttheater van Nederland het middelpunt van de wederopleving van het cabaret.

De laatste keer dat Youp van 't Hek zich ter gelegenheid van de Uitmarkt gratis vertoonde in de Kleine Komedie, leidde dat tot een volksoploop. Om te voorkomen dat in de toegestroomde menigte slachtoffers zouden vallen men dreigde elkaar plat te drukken moest theaterdirecteur Joost Nuissl persoonlijk de brandspuit ter hand nemen. Ook toen Van 't Hek besloot diezelfde dag nog een extra voorstelling te spelen, kon daarmee niet volledig aan de vraag worden voldaan.

Het tafereel, door Nuissl beschreven als “een compleet gekkenhuis”, speelde zich af in 1988, kort nadat Van 't Hek eigen- en hardhandig een eind had gemaakt aan de gemeenteraadsplannen om de Kleine Komedie te beroven van de vijf ton subsidie, die het theater tot dusver in leven had gehouden. De zaak zag er voor het belangrijkste kleinkunsttheater van het land slecht uit; de CDA-wethouder voor cultuur moest op haar begroting een half miljoen schrappen en niemand wist waar dat bedrag anders vandaan moest komen. Totdat de cabaretier op een maandagmiddag met een genadeloze mengeling van bittere spot en meeslepende demagogie een zaal vol beleidsmakers toesprak. “Het is al niet eerlijk dat de kleinkunst geen subsidie krijgt,” zei hij, “maar dat het publiek ook het theater wordt afgepakt dat gaat te ver.”

Twee dagen later werd de Kleine Komedie opnieuw subsidie toegekend. Niet alleen vanwege angst voor de bijtende woordenstroom van Van 't Hek, maar ook omdat men tot ander inzicht was gekomen. “Het was voor mij een nieuw gegeven,” sprak een PvdA-raadslid namens iedereen, “dat we de plaats van de kleinkunst in Amsterdam kennelijk hebben onderschat.”

De discussie is sindsdien niet meer heropend en de positie van de Kleine Komedie als eerste kleinkunsttheater van het land blijft onbedreigd. Het afgelopen seizoen oogstte men “een heel hoog bezettingspercentage” en ook het komende jaar ziet er goed uit. Het 205 jaar oude schouwburgje aan de Amstel profiteert ten volle mee van de opzienbarende heropleving die de afgelopen jaren in het cabaret te zien was.

Nuissl, pogend het hernieuwde succes te verklaren: “Op een gegeven moment, in de jaren zeventig, had het geengageerde cabaret zijn doel bereikt. Alles was in het theater bespreekbaar geworden, niemand schrok meer als er op het podium poep werd gezegd. Daarna is een herorientatie gekomen, met als contrapunt de absolute lulligheid waarin het nergens meer over mocht gaan. De laatste jaren zie je alle vormen weer, van heel poetisch tot puur actueel.” In zijn programmering tracht hij daarvan zoveel mogelijk te laten zien: van het pure cabaret (“amusement als transportmiddel om de mededeling prettiger te laten overkomen”) tot theatrale concerten en komische acts die afkomstig zijn uit de bruiloften- en partijensector. “Het enige wat een beetje uit de belangstelling is verdwenen, is het fools-theater, de mime-clowns. Daarvan is de bloeitijd voorbij, het vernieuwt zich ook nauwelijks meer.”

Door zijn in Nederland unieke specialisatie speelt de Kleine Komedie een belangrijke rol in de carriereplanning van de cabaret-artiest. Joost Nuissl, zelf voormalig kleinkunstenaar, staat regelmatig voor de vraag of een solist of groep al “klaar” is voor de confrontatie met zijn 500 zitplaatsen of beter nog een tijdje in de kleine zaaltjes kan blijven. Aan de andere kant staan de succesnummers, die zouden kunnen doorstromen naar Carre. Herman Finkers is daarvoor nu groot genoeg (“die kan 700 voorstellingen per jaar geven en dan is het nog elke keer uitverkocht”), Youp van 't Hek ook. Maar voorlopig is die doorstroming tot stilstand gekomen. Van 't Hek wil nog steeds trouw blijven aan de Kleine Komedie; hij vult het theater de hele maand december. “Een maand is de grens, langer kan ik het theater niet voor een artiest reserveren. En die maand is alleen voorbehouden aan Youp, aan Herman Finkers als hij weer naar Amsterdam komt, en aan Brigitte Kaandorp, die volgend jaar van half mei tot half juni het seizoen afsluit.”

Nuissl beaamt dat het, bij zoveel onwankelbare publiekstrekkers, een probleem is voldoende ruimte over te houden voor nieuw talent: “We hebben een groot aantal vaste bespelers en daarnaast zie ik een geheel nieuwe generatie aankomen.” Hij opent het seizoen in september met drie avonden Cabarestafette, waarin per avond drie beginnende groepen of solisten optreden een toverformule, die ook elders in het land met succes dienst doet. “Daar zitten absoluut kanshebbers tussen voor over een paar jaar.” De rest van september is voor een high tech-soloshow van Tom Oosterhuis, maker van de musical Zeldzaam: “In feite een debutant en dus een enorm risico, maar hij kwam hier binnen met een geweldig plan en ik vond dat ik hem die kans moest geven. Als het mislukt, wordt het in elk geval een mislukking met allure.”

Wie wordt gepromoveerd naar de Kleine Komedie, leert de praktijk, is ook in de rest van het land aan het kleine circuit ontgroeid en welkom in de provincieschouwburgen. Youp van 't Hek heeft dat aan den lijve ondervonden.