Boerinnnen

Spil. Kritisch tweemaandelijks tijdschrift over landbouw en platteland. Nr.93-94-juni 1991 (verschenen in augustus 1991). Abonnementsprijs: ƒ 50,- voor particulieren, ƒ 87,50 voor ondernemingen en instellingen. Adres: Slootsdijk 9, 7161 SB Ruurlo (05735-2075).

De boerinnen van vroeger, waar zijn zij gebleven? Zijn zij met het opdringen van de maïs en de maaidorsers verdwenen van de akkers, waarop zij vroeger in de zomermaanden in rijen het door mannen gemaaide koren samenbonden tot garven? Zie je ze niet meer - stoer in laarzen en overall en met een rode boerenzakdoek om hun kapsel - met emmers melk sjouwen nu melkmachines en koeltanks het handmatig melken verdrongen hebben? Hebben ligboxen en geautomatiseerde voedering hen uit de varkenshokken weggejaagd? Kortom: zijn de boerinnen door mechanisatie, schaalvergroting en specialisatie uit het achterhuis verbannen naar het voorhuis, waar ze zich toeleggen op huishoudelijk werk en het opvoeden van de kinderen?

Over deze vragen gaat het grootste gedeelte van het laatste nummer van Spil, "kritisch tweemaandelijks tijdschrift over landbouw en platteland' dat gerund wordt door de voormalige landbouwspecialist van de PvdA, Arend Voortman. Het blad publiceert sociaal-economische beschouwingen en hecht - zoals ook uit dit nummer blijkt - grote betekenis aan historische analyses. In het openingsartikel schetst Ans Hobbelink de boerinnengeschiedenis tussen 1940 en 1990. De jaren vijftig vormen volgens haar een keerpunt. Voor de Tweede Wereldoorlog was de structuur van agrarisch Nederland weliswaar zeer patriarchaal, maar waren vrouwen door hun specifieke vaardigheden en bezigheden toch tamelijk autonoom. Zij leverden een substantiële bijdrage aan het inkomen. Vanaf de jaren vijftig verandert dat. De overheid propageert grootschaligheid, intensivering en specialisatie. Er komt een uitstroom van arbeid uit de landbouw op gang; eerst van meiden en knechten, later van kleine boeren. Zo kwam de industrie aan zijn arbeidskrachten en bleven de voedselprijzen laag. Boeren werden ondernemers. De eens zo vakbekwame boerinnen verdwenen volgens Hobbelink "achter de coulissen van het agrarisch toneel', waar ze onzichtbaar, maar niet onmisbaar waren. Als beroepscategorie voor onderzoek, beleid of belangenbehartiging verdwenen ze. Statistieken kennen geen boerinnen meer; boerinnenbonden werden plattelandsvrouwenorganisaties; de landbouwhuishoudschool verdween; een zieke boerin werd alleen als moeder en huisvrouw vervangen door een gezinsverzorgster.

De laatste jaren is daar weer verandering in gekomen. Jonge agrarische vrouwen vormen weer boerinnengroepen. De naam "boerin' is terug als eervolle betiteling. In onderzoeken worden boerinnen weer zichtbaar, maar volgens Hobbelink nog teveel als afgeleide van de man, getuige gehanteerde begrippen als "eenmansbedrijf', "inspringarbeid' en "meewerken'.

Sabine de Rooij doet verslag van een onderzoek dat niet op die leest is geschoeid. Ze vergelijkt kleinschalige, zelfkazende bedrijven (gemiddeld 49 melkkoeien) met grootschalige, gespecialiseerde melkveehouderijen (gemiddeld 75 melkkoeien) en onderzoekt in hoeverre mannen en vrouwen als gelijkwaardige partners opereren. Hoe is het werk tussen hen verdeeld? Hebben ze geheel gescheiden arbeidsdomeinen (de man "achter', de vrouw "voor') of is er sprake van gezamenlijke verantwoordelijkheid en zeggenschap? Verrichten vrouwen alleen ondergeschikte inspringtaken of ook vaste taken met in beginsel meer zeggenschap?

Tussen de grootschalige gespecialiseerde melkveehouderijen en kleinschalige zelfkazende bedrijven blijken flinke verschillen te bestaan in de omvang en de kwaliteit van de boerinnenarbeid. Boerinnen op grootschalige bedrijven werken minder "achter' (19 uur per week tegenover 29 uur) en meer "voor' (50 uur tegenover 41 uur) dan hun zusters op kleine bedrijven. Hun werk "achter' is verbrokkeld en versnipperd en bestaat vooral uit inspringtaken, die weinig kennis veronderstellen en een geringe kans van mislukken hebben, maar wel permanente beschikbaarheid vereisen. Boerinnen op deze bedrijven hebben wel vaste taken zoals verzorging van kalveren en de financiële administratie, maar de eigen verantwoordelijkheid is daar gering. Bij de zorg voor de kalveren gaat het om puur uitvoerend werk en niet om de selectie van kalveren, aankoop van voer en oplossing van problemen. De boerin heeft alleen veel zeggenschap over het tijdstip van voedering. Financiële administratie betekent vooral het registreren van inkomsten en het betalen van rekeningen. Deeltaken die meer kennis, verantwoordelijkheden en risico's met zich meebrengen zoals het opstellen van winst- en verliesrekeningen, balansen, subsidie-aanvragen en belastingaangiftes zijn uitbesteed aan boekhoudbureaus.

Boerinnen op de kleinschalige, zelfkazende bedrijven zijn een stuk geëmancipeerder. Ze besteden minder tijd aan het huishouden en huren eerder betaalde krachten in voor huishoudelijk werk en kinderopvang. De kaasmakerij is bij uitstek het domein van de vrouw. De man wordt wel bij beslissingen betrokken, maar domineert deze niet. Kaasmaken vereist veel kennis van zaken en verantwoordelijkheid. Niet alleen binnen de kaasmakerij heeft de boerin een stevige positie, maar ook op het bedrijf als geheel. Zij wordt meer bij managementbeslissingen betrokken.

Kaasmaaksters zijn zeer tevreden met hun werk vanwege het tastbare resultaat, het prestige dat de bereiding van kwaliteitskaas oplevert en het eigen arbeidsdomein. Melkveehoudersvrouwen zijn minder enthousiast over hun werk op de boerderij: ze vinden het eigenlijk geen werk en het levert hun weinig waardering op.

Conclusie: waar schaalvergroting en specialisatie het minst ver zijn voorstgeschreden heeft de positie van de boerin het minst aan waarde ingeboet. De voortgaande modernisering van de Nederlandse landbouw is slecht voor de vrouwenemancipatie.

De moderne boerin heeft wel meer tijd voor andere dingen gekregen. Maar aan activiteiten buitenshuis, vrije tijd of studie blijkt die niet besteed te worden, hoewel de boerinnen dat wel van plan waren. Ze zijn meer tijd gaan steken in de moestuin, in het maken van kleren, bakken, breien, onderhoud van het huis (behangen en schilderen) en routinewerkzaamheden (boodschappen en schoonmaken).

Blijft de vraag hoe de boerinnen hun veranderde positie zelf beoordelen. Zouden ze terugverlangen naar de grotere autonomie van vroeger? Of hebben boerinnen autonomie graag ingeruild voor meer welvaart, al dan niet verblind door het burgelijk ideaal uit de vorige eeuw waarbij een boer er trots op was dat zijn vrouw nooit "achter' kwam?