Het maatmanloon

De volksverzekering AAW en de werknemersverzekering WAO lijken veel op elkaar. Ze hanteren hetzelfde criterium: “Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.”

Beide regelingen zijn ingericht als een risico-verzekering: ze voorzien in een inkomensbescherming bij langdurige arbeidsongeschiktheid. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid. Daartoe wordt de hulp ingeroepen van de "maatman' en diens loon, het "maatmanloon'.

Dat gaat als volgt. Eerst heeft een "functieduiding' plaats: welke functies zou betrokkene, gegeven zijn beperkingen, nog kunnen verrichten en kunnen die functies van hem worden verlangd, gegeven zijn arbeidsverleden en maatschappelijke positie. Dan wordt bekeken welke "loonwaarde' deze functies vertegenwoordigen (restloon) en hoe zich dat verhoudt tot het loon dat een gezonde persoon (maatman) met vergelijkbare opleiding en daarmee overeenstemmend werk doorgaans verdient (maatmanloon).

Deze gegevens worden met de formule [(maatmanloon - restloon) : maatmanloon] x 100 ongerekend tot een percentage arbeidsongeschiktheid. Op grond van dit percentage wordt betrokkene ingedeeld in een klasse. De WAO telt zeven klassen (te beginnen bij 15-25 procent arbeidsongeschikt, vervolgens 25-35 procent, 35-45 procent, 45-55 procent, 55-65 procent, 65-80 procent en meer dan 80 procent). De AAW heeft zes klassen (te beginnen bij 25-35 procent en verder hetzelfde als bij de WAO). Bij elke klasse hoort een percentage waarmee de uitkering uiteindelijk wordt berekend: oplopend van 14 (alleen WAO), naar 21, 28, 35, 42, 50¾ tot 70 procent. Bij de WAO wordt dit percentage vermenigvuldigd met het dagloon (van de maatman), bij de AAW met het wettelijk minimumloon per dag (van de maatman).

De duur van de uitkering is niet afhankelijk van het arbeidsverleden, noch van de leeftijd. (Dit verandert als het kabinet zijn zin krijgt). Het recht op een uitkering eindigt als men 65 jaar wordt, overlijdt of niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht.

De wetgever koos bij de introductie van de WAO (1967) principieel voor het zogenoemde finaliteitsbeginsel: niet van belang is hoe men arbeidsongeschikt is geraakt, maar dat men dit is en dat dit maatschappelijke consequenties heeft. Onderscheid maken tussen bijvoorbeeld een bedrijfsongeval en een sportblessure werd als onwezenlijk en in strijd met het rechtsbesef van de hand gewezen. Het toenmalige kabinet vond dat bij de WAO niet mocht worden gediscrimineerd naar de oorzaak van ziekte, invaliditeit of handicap.

De werkgeversorganisaties VNO en NCW pleiten voor (her-)invoering van het onderscheid tussen risque social en risque professionel. Maar staatssecretaris Ter Veld van sociale zaken ziet daar, blijkens uitlatingen begin dit jaar in het blad Ondernemersvisie van het KNOV, niets in: “Hoe duidt u dan een hartaanval op het werk? En de vertegenwoordiger die met ruzie het huis verlaat en met zijn auto uit de bocht vliegt? En is het een bedrijfsongeval als iemand tijdens het personeelsuitstapje uit de zweefmolen valt? Dit is een heilloze discussie. Ik voel erg weinig voor de juridische rompslomp die het gevolg zal zijn”.