"Geheime diensten misten het beslissende moment'; De leiders van de staatsgreep bleken "meesters in het verbergen van hun diepste gevoelens'

Uiteindelijk waren ook de Westerse inlichtingen- en veiligheidsdiensten verrast: al meer dan een jaar hielden zij serieus rekening met een conservatieve machtsgreep in de Sovjet-Unie, maar het precieze tijdstip waarop deze plaatshad, heeft geen van hen voorzien. Noch de Mossad, de Israelische geheime dienst die volgens ingewijden tot de best geïnformeerden in de regio behoort, noch de Amerikaanse CIA, noch de Britse MI6 - hun eigen "operaties' in de Sovjet-Unie ten spijt.

De diensten zijn ervan overtuigd dat de staatsgreep door een zeer kleine groep conservatieven moet zijn voorbereid. Die constatering heeft hen tegelijkertijd doordrongen van de beperkingen van hun eigen werk. “In de buurt van dat kleine clubje mensen zou je operaties moeten trekken, maar dat is volkomen onmogelijk gebleken”, zegt een leidinggevende inlichtingenofficier in Nederland.

De Westerse diensten reageerden de afgelopen jaren steeds gereserveerd op de internationale ontspanning als gevolg van glasnost en perestrojka. Het Sovjet-leger en de KGB bleven grotendeels ondoordringbare en onvoorspelbare machtsblokken. Intensief inlichtingenwerk bleef volgens Westerse diensten geboden, juist omdat de KGB in het buitenland actiever werd. Het nu gebleken gebrek aan informanten op de goede plaats heeft hen opnieuw van die noodzaak overtuigd.

Leiders van de staatsgreep als minister van defensie Jazov, KGB-chef Krjoetsjkov en premier Pavlov stonden lange tijd model voor verzoening met het nieuwe beleid in de Sovjet-Unie, maar bleken ten slotte kameleons. Het exacte moment van hun definitieve gedaanteverwisseling brak in het Westen onverwacht aan. “Ze zijn meesters gebleken in het verbergen van hun gevoelens. Zo heeft het communisme hen opgeleid”, zegt een andere inlichtingenchef in Nederland. “De grote diensten in het Westen hadden op het beslissende ogenblik het nakijken.”

Al een jaar lang constateerden zij wel een scherp toenemende kans op een staatsgreep van conservatieven in de Sovjet-Unie. Zij baseerden zich op de gebruikelijke openbare bronnen, internationaal uitgewisselde informatie van zusterdiensten en eigen "operaties'. De slotsom van hun analyses was steeds: groeiende instabiliteit.

Een selectie uit tientallen openbare momentopnamen:

13 september 1990. De hervormingsgezinde krant Moskovskiye Novosti publiceert een tijdtafel voor een naderende machtsgreep. De krant baseert zich op informatie van een groep liberale officieren uit alle geledingen van het Sovjet-leger. De groep meent dat conservatieven op een bepaalde dag de noodtoestand zullen afkondigen en zich meester zullen maken van televisie en radio. Een reden zou zijn dat Gorbatsjov “de economie verwoest en de idealen van het socialisme verraden heeft”.

29 september 1990. Een volledige divisie luchtlandingstroepen (10.000 man) arriveert in Moskou, gekleed in kogelvrije vesten en zwaar bewapend. Deze elite-eenheid wordt beschouwd als een steunpilaar van het communistische machtsblok. Minister van defensie Jazov zegt voor de nationale televisie en radio dat de troepen oefenen voor een “parade”. Hij ontkent dat de KGB en het ministerie van binnenlandse zaken een “gecoördineerde actie” voorbereiden. Jazov: “Geen leger moet de wapenen opnemen tegen het eigen volk”. Op dezelfde dag maakt de communistische jeugdkrant Komsomolskaya Pravda melding van plannen voor een militaire coup.

16 november 1990. De conservatieve kolonel Alksnis, tevens parlementslid, zegt publiekelijk dat Gorbatsjov “alle bevoegdheden moet overdragen aan een Comité van nationale redding”. Dit zou geleid moeten worden door “prominente politici” die “steunen op veiligheidsdiensten en ordetroepen”. Alksnis krijgt bijval van onderminister van binnenlandse zaken Gromov en een andere havik, kolonel Rodionov, die verantwoordelijk was voor het bloedbad in de Georgische hoofdstad Tbilisi in april 1989 en inmiddels hoofd is van de generale staf in Moskou.

21 december 1990. Minister van buitenlandse zaken Sjevardnadze vraagt ontslag omdat hij vreest voor “een naderende dictatuur”. De radicale burgemeester van Leningrad, Sobtsjak, ziet eveneens op “serieuze en op goede gronden een gevaar voor dictatuur”. Sobtsjak: “Als wij in de komende paar dagen er niet in slagen een verdrag tussen de republieken te sluiten over budgetten en voorraden zal het hele land de militairen vragen naar voren te treden en de orde te hertstellen”.

15 april 1991. Premier Pavlov ontkent tegenover verscheidene Britse televisiestations geruchten over een naderende staatsgreep. “Ik zie niet in waarom de positie van Gorbatsjov in gevaar zou zijn. Er komt geen coup zoals van de Griekse kolonels”, verzekert hij.

23 juli 1991. Het tijdschrift Sovietskaja Rossija publiceert op de voorpagina een schotschrift getiteld "Een woord tot het volk'. Het is ondertekend door twaalf vertegenwoordigers van de conservatieve vleugel in de communistische partij, onder wie onderminister van defensie Varennikov en onderminister van binnenlandse zaken Gromov. Volgens de publicatie zou een “patriottische beweging” het heft in handen moeten nemen: “Staatslieden onder het Russische volk zijn bereid het land te leiden naar een soevereine toekomst zonder vernedering. Alleen de militairen kunnen broedermoord voorkomen en de vernietiging van het Moederland”.

16 augustus 1991, jongstleden zaterdag. Gorbatsjovs naaste medewerker Yakovlev, mede-architect van de perestrojka, verlaat de partij en waarschuwt dat een “stalinistische kern” in de partij een staatsgreep voorbereidt. “Hoewel zij het tegendeel beweert ontdoet de partijleiding zich in werkelijkheid van haar democratische vleugel en bereidt zich voor op een coup.”

16 augustus 1991. Een andere conservatief lid van de partij, Prokhanov, mede-ondertekenaar van het eerdergenoemde schotschrift, zegt in de krant Nezavisisma Gazeta dat het tijd is “om de macht bij zijn keel te pakken”. Hij laat zich negatief uit over het progressieve ontwerprogramma van de communistische partij dat de krant dezelfde dag afdrukt.

De inlichtingen- en veiligheidsdiensten gaven al deze signalen, aangevuld met eigen analyses, steeds door aan beleidsmakers, maar op politiek niveau kreeg hun scepsis niet zelden een andere vertaling. Ofschoon de waarschuwingen daar serieus werden genomen, hield het - uiterlijke - enthousiasme in regeringskringen over de politiek-maatschappelijke ontwikkelingen in de Sovjet-Unie de overhand. Bovendien zou geringer enthousiasme de haviken slechts in de kaart spelen, misschien was het "point of no return' van perestroika al gepasseerd en zou een staatsgreep kansloos zijn, zo luidde de uitkomst van de communicatie tussen regeringen en inlichtingendiensten.

De diensten vragen zich dezer dagen af wat het nut is van hun analyses van risicovolle situaties in het buitenland. “Wij zijn niet meer dan waterdragers”, zegt een inlichtingenofficier. “Men dicht ons al gauw beroepsdeformatie toe, en dat is niet altijd terecht, zo blijkt nu”.