"Geen openlijke cocaïne-scene in Suriname'; Cocaïne-probleem als gevolg van dealen, niet van gebruik

AMSTERDAM, 21 AUG. “Vrijwel nergens wordt openlijk cocaïne gebruikt, maar de stille getuigen van de drugshandel zijn in het straatbeeld van Paramaribo onmiskenbaar.” Dat zegt de Amsterdamse onderzoeker Livio Sansone, die eind vorig jaar als lid van een zeskoppig onderzoeksteam drie weken in Paramaribo verbleef. Nieuwe villa's, speedboten en schotelantennes wijzen volgens hem op de snelle rijkdom van sommige "poeiri sma' (poedermensen).

Doel van het bezoek was de Surinaamse drugs-scene in kaart te brengen en na te gaan of intensievere samenwerking mogelijk is tussen Nederlandse en Surinaamse instanties op het gebied van drugshulpverlening. Het onderzoek werd met subsidie van het ministerie van WVC verricht voor de Stichting Deskundigheidsbevordering en Overlegplatform Drugshulpverlening Surinamers in Utrecht.

De voorlichting over drugs kan zeker verbeterd worden, concludeerden de onderzoekers in hun rapport. Maar zij plaatsen grote vraagtekens bij de in hulpverlenerskringen geopperde suggestie om in Suriname zelf, uitgaande van de terugkeer van verslaafden uit Nederland, afkickprojecten op te zetten.

Een ticket naar Paramaribo stond in de jaren zeventig voor veel verslaafde Surinaamse jongeren in Nederland nog gelijk aan een recept om van de harddrugs af te komen. Drugs als heroïne en cocaïne waren in de Surinaamse hoofdstad zo moeilijk te krijgen dat een verblijf van enkele maanden, met de goede zorg van familieleden of een "bonoeman' (medicijnman), geacht werd gelijk te staan aan een afkick-therapie. “Het probleem van drugsgebruik is uit Nederland geïmporteerd”, zegt Sansone. “Surinamers zijn er hier mee in aanraking gekomen.”

De "medische vakantie' had lang niet altijd succes, veel Surinaamse jongeren bleven ook in Suriname verslaafd. Nu lijkt de kans op genezing kleiner dan ooit. Niet alleen zijn drugs er nu gemakkelijker verkrijgbaar dan twintig jaar geleden, ook ontbreken in Suriname geld, deskundigheid en wettelijke mogelijkheden om bijvoorbeeld een methadonproject te beginnen. Bovendien zou de komst van junkies uit Nederland op grote weerstand stuiten. In de volksmond wordt het toenemend aantal zwervers in Paramaribo nu al geweten aan een Nederlands “complot” om verslaafden terug te sturen naar het land van herkomst.

Het onderzoeksteam waar de 34-jarige, van origine Italiaanse socioloog Sansone deel van uitmaakte, had grote moeite zicht te krijgen op de omvang van het drugsgebruik: statistische gegevens en onderzoek over het bereik van de Surinaamse instellingen die zich met hulpverlening bezighouden, ontbreken.

Volgens 's Lands Psychiatrische Inrichting - waar het bureau Alcohol en Drugs onder ressorteert - telt het land hooguit vijftig cocaïne-verslaafden. Een onwaarschijnlijk laag aantal, dat is gebaseerd op de vraag naar professionele hulp. Gelet op de strafbaarheid van het gebruik van zowel soft- als harddrugs, zal die uiteraard gering zijn, aldus de onderzoekers. Hulp wordt vooral gevraagd door jongeren uit de hogere klassen, al dan niet onder druk van familieleden.

Volgens Sansone is het gebruik van cocaïne grotendeels beperkt tot deze groep. De prijs van de drug (25 Nederlandse guldens per gram, op de zwarte markt 250 Surinaamse guldens) is te hoog voor Surinamers die alleen over eigen valuta beschikken. Ook onder de elite is echter van een openlijke cocaïne-scene geen sprake, zegt Sansone, die geregeld clubs, dancings en feestjes in de Surinaamse hoofdstad bezocht. “Wat je hier in Amsterdam hebt, het openlijk snuiven in discotheken, dat heb ik daar nooit gezien. Zo'n sfeer proef je er ook helemaal niet. Het cocaïne-probleem van Suriname vloeit voort uit dealen, niet uit het gebruik.”

Wijdverbreid is wel het gebruik van marihuana, aldus de onderzoeker, die in een van de huizen die hij bezocht een kilo van het spul onder een matras aantrof. De angst voor marihuana is vooral onder ouderen in de lagere klassen veel groter dan die voor cocaïne, zegt hij: “Drugs zijn voor hen nog steeds synoniem aan marihuana.”

De softdrug is dan ook beduidend goedkoper dan cocaïne: voor vijf Surinaamse guldens is onder de toonbank “een envelop vol” te krijgen bij de talrijke straatventers in de hoofdstad. Buitenlandse sigaretten zijn duurder. Onderzoek onder scholieren in 1988 wees uit dat zes procent wel eens drugs gebruikte, tegen vier procent vier jaar eerder. Het aantal scholieren dat wel eens marihuana rookt bedraagt volgens Sansone op het moment rond de tien procent. Lager dan alle schattingen van het gebruik onder Nederlandse scholieren, onderstreept hij.

Van het gebruik van de softdrug ondervindt de samenleving, door de lage prijs en de geringe medische effecten, nauwelijks schade, meent Sansone. Ook al maakt het bureau voor Alcohol en Drugs gewag van een “marihuana-psychose”, vooral onder bosnegers, waarvoor per week drie of vier mensen moeten worden opgenomen. Volgens Sansone is dit een onzinnig begrip en gaat het meestal om psychiatrische patiënten en om mensen “die wel roken - in Nederland zou je ze coffeeshop-types noemen - maar die toch vooral door werkloosheid of eenzaamheid over hun toeren zijn geraakt”. De behandeling van de “psychose” is overigens bijzonder summier en bestaat vooral uit opsluiting van 24 tot 36 uur, aldus het onderzoeksverslag.

De Nederlandse wetenschappers concentreerden zich op enkele wijken in Paramaribo. Over de situatie in het binnenland, onder bosnegers en indianen, ontbreken gegevens. Evenmin deden zij gericht onderzoek naar de rol van het leger in de cocaïne-scene. Maar opvallend genoeg kwamen de “drie of vier” gebruikers die Sansone in de volkswijken ontmoette, wel stuk voor stuk met de drug in aanraking tijdens hun diensttijd. “In de kazernes wordt gebruikt, dat is vrijwel zeker. De jongens die ik sprak waren ermee begonnen tijdens hun tijd aan het front, in het binnenland.”

De snelle rijkdom, de zwarte handel en de opkomst van de illegale geldwisselaars hebben bijgedragen aan de ontwrichting van de sociale structuur van het land. “Onder jongeren zie je een duidelijke verschuiving van het waardenpatroon: ouderen en mensen die legaal iets gepresteerd hebben maken als autoriteitsfiguren steeds meer plaats voor de snelle jongens die zich met dure auto's en kleren status verlenen. De vraag wordt hoeveel geld je hebt, niet waar je het vandaan hebt.”

Zo is een “parasitaire” samenleving ontstaan waarin doorverkopen, dealen en “hosselen” belangrijker wordt dan produceren. De oude, hardwerkende arbeiders- en middenklasse raakt, door het instorten van de loonstructuur, steeds meer in de verdrukking. Sansone: “Ondernemingszin en improvisatievermogen worden verder verlamd door de nabijheid van het welvarende Nederland.” Het drukke transatlantische verkeer - in 1990 werden op de lijn Amsterdam-Paramaribo 37.000 tickets verkocht, nog eens 10.000 via Frans-Guyana en 8.000 via Curaçao - betekent een constante stroom van bezoekende kennissen en familieleden die het in Nederland, al zijn ze er werkloos, vele malen beter hebben dan hun achtergebleven landgenoten. Sansone: “Men compenseert bij zijn bezoek aan Suriname het ongenoegen dat hier in Nederland wordt opgebouwd.”