Ereschulden

In zijn artikel "Kampslachtoffers willen veel te veel' (NRC Handelsblad, 15 augustus) brengt R. Kousbroek naar voren dat de inwoners van een rijk land als haantje de voorste staan te dringen om te incasseren (twintigduizend dollar) terwijl de veel armere Aziatische volkeren prioriteit en veel meer recht hebben. Kousbroek verwijt ons Hollandse slachtoffers, de Indonesische en Chinese slachtoffers te vergeten.

Kousbroek had voor de volledigheid dan ook moeten vermelden hoe het komt dat Hollandse slachtoffers deze schadevergoeding eisen, namelijk doordat de Japanners die gedurende de Tweede Wereldoorlog in Canada en de Verenigde Staten woonden, daar gedurende de oorlog in kampen werden gesloten (uit voorzorg). De behandeling èn kwaliteit in deze kampen is echter bijzonder goed geweest in tegenstelling tot wat er in de Japanse concentratiekampen in Indonesië en de rest van Zuidoost-Azië gebeurde. Enige jaren geleden hebben alle Japanners van de regeringen van de Verenigde Staten en Canada een bedrag van twintigduizend dollar geëist en gekregen. Vandaar onze eis aan Japan nu voor onze slachtoffers!

R.M. Rooimans, Eindhoven.

2 De masochistische houding van R. Kousbroek over zijn eigen kampervaring is bekend. Het is echter een uit zijn verband gerukte stelling om de in 1940 werkende en levende Nederlanders te identificeren met de driehonderd jaar koloniale geschiedenis van dit land. Werd de koloniale politiek en het Boven Digoel drama niet geredigeerd uit Den Haag? Met het veel grotere lijden van de Indonesiërs en Chinezen onder het Japanse bewind ben ik het eens. Maar toen Soekarno, voor niets, het hele gebouw dat Nederlands Indië heette ontving, inclusief het particuliere bezit van de nu klagende slachtoffers, viel de taak van een vergoeding aan de Indonesische regering toe.

A. Dirkzwager, 's-Heer Hendrikskinderen.

3 Kousbroek schrijft: “Wat mij dwars zit, is dat Nederlanders, zelf burgers van een rijk land, (bij Japan) als haantje de voorste staan te dringen om een groot bedrag te incasseren, in plaats van de oorlogsslachtoffers in veel armere Aziatische landen, die niet alleen meer prioriteit maar ook meer recht kunnen laten gelden.” Rationeel gezien heeft hij gelijk met dat "meer prioriteit', maar als je enigszins in de beleving van kampslachtoffers weet te verplaatsen (Kousbroek spreekt als oud-kampbewoner, maar heeft als kind in een mild kamp gezeten) weet je dat zij een dergelijk rationalisme vaak niet kunnen opbrengen. Voor hen is het geld een bewijs van erkenning van hun probleem.

Het is onzin om te schrijven dat het “in de eerste plaats” voor Chinezen en Indonesiërs zou gelden; alsof het leed van een individueel gezin uit Nederland vermindert omdat er minder Nederlanders omkwamen dan Chinezen en Indonesiërs. Hier getuigt Kousbroek niet van wereldburgerschap, maar van gefrustreerd Nederlanderschap. Hij maakt persoonlijk leed van individuele mensen tot een abstracte problematiek en draagt vervolgens een abstracte oplossing ervoor aan.

Kousbroek schrijft: “Het pijnlijke is dat de mensen die zich nu zo weren in al die herdenkingscomités en stichtingen vaak juist de oud-strijders zijn die voor de oorlog de wind eronder hielden bij de bevolking.” Bij de Indonesiërs bedoelt hij. Laat Kousbroek de namen van de mensen die hij bedoelt, concreet noemen, en niet, door die namen niet te noemen, al die andere "onschuldige' mensen weer ontzettend te kwetsen.

Paul Ophey, Nijmegen.

4 Als Indische Nederlanders een schadevergoeding eisen van Japan voor de schade en leed in de interneringskampen kunnen zij niet anders dan voor zichzelf spreken. Het vredesverdrag in 1951 en het protocol in 1956 waarbij afstand werd gedaan van eisen tot schadevergoeding door onze toenmalige regering zonder inspraak van de belanghebbenden, kon alléén betrekking hebben op de Nederlandse onderdanen. Indonesië was toen een zelfstandige staat. Zij zijn niet gebonden aan de Nederlandse handtekeningen. Dat zij zelf geen aanstalten maken om genoegdoening te verkrijgen voor de circa één miljoen Indonesiërs die omkwamen door honger en epidemieën als gevolg van het Japanse bewind en de gedwongen arbeidsdiensten van honderdduizenden "romusha's' van wie circa negentig procent omkwam is hun zaak.

Er is in Indonesië geen enkel monument te vinden voor deze slachtoffers. Het land heeft deze bladzijde kennelijk omgeslagen. Japan kwam als gevolg van de Nederlandse oorlogsverklaring als bevrijder van de koloniale onderdrukking. Is de voormalige onderdrukker verantwoordelijk voor de daden van de bevrijder? Amerika, dat de oorlog met Japan niet is begonnen, heeft zijn Japanse ingezetenen wèl een schadevergoeding gegeven voor de schade tengevolge van hun internering die achteraf door de rechter onterecht werd bevonden. De hoogte van dit bedrag is nu door de Stichting Japanse Ereschulden overgenomen.

Is dit te veel? Is het leed van de Indische Nederlanders dan minder waard? Hebben deze Amerikaanse gevangenen aan een slechtere behandeling blootgestaan? Heeft ons "rijke' land zijn Indische onderdanen niet gediscrimineerd als het ging om het vergoeden van oorlogsschade terwijl onze regering tot twee keer toe wel handtekeningen zette en daarmee zonder enige inspraak hun belangen negeerde?

Deze omvangrijke eis tot schadevergoeding kan vooral dienen om een proces op gang te brengen waardoor er in Japan eindelijk aandacht en besef zal groeien, vooral bij de naoorlogse generatie, over wat er werkelijk is gebeurd.

L. van Baaren, Ridderkerk.

5Natuurlijk moest er in deze dagen wel een artikel van R. Kousbroek verschijnen over de "Japanse affaire'. Na de varende krans en het werp-ei was er behoefte aan een evenwichtig oordeel over de roerige zaak van de Japanse ereschulden. Helaas bleef de kernvraag onbeantwoord. De honderdduizenden Indonesische en Chinese slachtoffers, die destijds Nederlands onderdaan waren. Daar hoor je Stolk c.s. niet over! Volkomen juist, maar in kwesties van mensenrechten en oorlogsmisdaden kun je niet steeds je broeders hoeder zijn. Wat in de oorlog aan de joden is aangedaan is mutatis mutandis ook aan zigeuners, homofielen en andere groepen Duiters aangedaan. En wat de vroegere Nederlandse onderdanen betreft, voor hen kan de Indonesische overheid ageren.

In 1949 zijn alle Nederlandse rechten en verplichtingen overgegaan. Ik geef toe dat Nederland - als iedere vroegere koloniale mogendheid - geen vlekkeloos verleden heeft. Ook is het een feit, dat bij de oorlogsprocessen in Tokio nauwelijks opgekomen is voor de Indonesische slachtoffers. Maar al deze morele bezwaren doen niets af aan het grote ongenoegen der ex-geïnterneerden (waartoe ik zelf niet behoor). Ook het ergerlijke lot van Salim, hoe beschamend ook, moet niet betrokken worden bij de Japanse ereschulden. Kousbroek draagt het koloniaal verleden als een nimmer helende wond met zich mee. Een tweede psychologische factor is zijn persoonlijke beleving van de Japanse internering, die dragelijker was dan zijn vroegere kostschoolperiode.

Het waren inderdaad geen vernietigingskampen, maar dat is ook wel het aardigste wat je ervan zeggen kunt. Dat de patiënten van Bastiaans destijds voor veertig procent uit Indië afkomstig waren schijnt Kousbroek nauwelijks beroerd te hebben. Wanneer je zoals hij uitgaat van de opvatting, dat de kamptijd nogal meeviel, dat de Japanners zich niet misdroegen als je maar moeite doet hun cultuur te begrijpen, en dat, tenslotte, die ex-koloniale uitbuiters weinig recht van spreken hebben, dan komt inderdaad de claim van twintigduizend dollar de man potsierlijk over. Maar hij weet heel goed, dat dit bedrag gekozen is analoog aan de uitkering van de Verenigde Staten aan de Japans-Amerikanen. Veel oud-Indischmensen generen zich ervoor zulke bedragen te noemen, maar zij vinden wèl dat Japan over de brug moet komen nu het dat ook zonder veel moeite kàn.

F.J. van der Dussen, Den Haag.

6 Kousbroek heeft het er al zo vaak over gehad; dus moeten wij zijn standpunten kennelijk maar accepteren! Blijkbaar hoort hij niet tot “deze door zichzelf uitgeroepen leiders”, die wèl een grote aanhang hebben.

Vreemd dat hij, als ex-geïnterneerde van de Japanners, niet bij terugkeer in Nederland heeft ervaren dat er van Nederlandse zijde geen enkele belangstelling was voor hetgeen de "Indische Nederlanders' hadden meegemaakt. Latent anti-japans racisme? Moeten wij warme gevoelens koesteren voor hen die ons een aantal jaren "onvriendelijk' hebben behandeld? Kousbroek is toch ook wel bekend met de gevoelens die de Japanners door de eeuwen heen voor de westerlingen hebben gekoesterd? Zoveel is zeker, Kousbroek spreekt niet namens de ex-geïnterneerden uit Indië; hij kwetst hen! Die laatsten zullen met instemming het gedegen artikel van Ph.P. Everts hebben gelezen.

F.G. van der Heide, Doorwerth.