Dubbelvier roeit zich stuk op Sovjet-Unie

WENEN, 21 AUG. Koos Maasdijk kon gisteren weer eens zorgelijk voor zich uitstaren. De Rotterdamse roeier wimpelde in Wenen handtekeningenjagers resoluut af. “De leukste wedstrijd voor het publiek is bijna nooit leuk voor mezelf”, bromde de voormalige wereldkampioen in de dubbelvier. Maasdijk keek met gemengde gevoelens terug op het eerste optreden van zijn dubbelvier bij de WK op de Nieuwe Donau. In de voorwedstrijd roeide Nederland zich stuk op de superieure wereldkampioenen uit de Sovjet-Unie.

De stakingsoproep van de Russische president Boris Jeltsin vond duidelijk geen gehoor bij de geroutineerde roodhemden. Maasdijk vond het wel plezierig dat zijn team de Italianen (brons bij het vorige WK) op een ruime lengte zette. “Ook al gaat het goed in het trainingskamp, er is altijd twijfel over hoe hard het zal gaan op de wedstrijd. We weten nu dat het klopt.” Ook coach Jan Klerks was tevreden over het "openingsschot' van Arisz, Florijn, Maasdijk en Kelderman. “Ze hebben bewezen strijd te kunnen leveren op niveau.” Vanmiddag roeit Nederland zijn herkansing voor een plaats in de halve finales.

De Nederlandse vrouwen dubbelvier wist aan dat lot te ontsnappen. Als eerste Nederlandse ploeg plaatste zij zich door het winnen van de voorwedstrijd voor de finale. Halve finales zijn hier met slechts elf inschrijvingen overbodig. Daarmee krijgen Anita Meiland, Marjan Pentenga, Rita de Jong en José de Groot al praktisch een ticket voor de Olympische Spelen in de schoot geworpen. De jonge ploeg verdiende dit seizoen haar sporen al met een derde plaats op de internationale Rotsee-regatta. “We hebben enorm gemazzeld met de voorwedstrijd”, zei De Jong na de winst. “We concentreerden ons op een harde start. Een sterk baangedeelte hadden we al. Als je voelt dat het gaat lukken ga je steeds makkelijker roeien. Het gaat dan heel ontspannen.” De dubbelvier liep bijna vijf seconden uit op Tsjechoslowakije, vorig jaar nog winnaar van brons op de WK. Zwaarder geweld bevond zich in de andere voorwedstrijd, waar de Sovjet-Unie het af moest leggen tegen een oppermachtig Duitsland.

Harriët van Ettekoven voelde zich tussen de beste skiffeuses van dit moment, de Canadese Silken Laumann en de Roemeense Elisabetha Lita, minder op haar gemak. “Tevoren twijfelde ik al of ik me zou mengen in de strijd of dat ik de boel maar zou laten gaan”, zo schetste Van Ettekoven het dilemma van de sterk bezette voorwedstrijd. Van Ettekoven besloot halverwege haar skiff-race voor het laatste.

Dezelfde afweging werd de afgelopen dagen door meer roeiers gemaakt. Meestal gaat bij de voorwedstrijd alleen de winnaar over en plaatst de rest zich voor de halve finales via gemakkelijke herkansingsraces. Een pad dat Nederlanders in het verleden vaak bewandelden. Waarom zou men zich nodeloos vermoeien? Dit jaar daarentegen wisten vier Nederlandse ploegen hun voorwedstrijd te winnen. Dat waren de genoemde vrouwen dubbelvier, de wereldkampioen lichte skiff Frans Göbel, de lichte skiffeuse Laurien Vermulst en de dubbeltwee Nico Rienks en Henkjan Zwolle. De lichte vier zonder stuurman en de lichte dubbeltwee plaatsten zich met respectievelijk een tweede en derde plaats eveneens direct voor de halve finales.

Bondscoach René Mijnders slofte tevreden over het botenterrein. In de Nederlandse roei-equipe hangt volgens hem een sfeer van vastberadenheid. Dat de eerste WK-resultaten goed zijn, verbaast hem niet. Mijnders: “Al moest het allemaal nog in de wedstrijd gebeuren, bij veel ploegen zag je in het trainingskamp al dat het goed zat.”

Een dergelijke observatie deed Mijnders ook bij de zware vier zonder stuurman, de ploeg die al twee jaar furore maakt met zelfverzekerd roeien en een ziedende eindsprint. “Dat viel tegen”, zegt Mijnders nu. De WK zilveren roeiers Schwarz, Krijtenburg, Van der Zwan en Peters kwamen in hun slechtste race van dit seizoen niet verder dan een derde plaats. Zelfs hun befaamde eindsprint, houterig uitgevoerd, bracht ze niet meer langs de Britten, laat staan langs de wereldkampioenen uit Australië. Krijtenburg bleef rustig onder het debâcle. Hij beloofde beterschap in de herkansings. Boegman Peters was beduidend explicieter. “Het leek wel eerstejaars-roeien”, brieste hij, duidend op de moeizame verrichtingen van eerstejaars-studentenroeiers. “De Britten knepen er tussenuit op 1000 meter. De illusie dat ze ons zo de baas kunnen, moet je ze niet geven, ook niet in een voorwedstrijd.”