DE WIELRENNER; Thuis wachten op de bank tot het volgende criterium

Werken zonder vaste verblijfplaats. Je hoort nergens thuis, maar je zit ook nergens aan vast. Een serie portretten van mensen die voor hun beroep onderweg zijn. Als derde deel de beroeps-wielrenner.

NIJVERDAL, 21 AUG. Zondagnacht om twee uur was hij uit de Tour de France teruggekeerd. Ze hadden thuis nog wat gedronken. Om drie uur was hij naar bed gegaan. De volgende avond wachtte het eerste criterium, in Boxmeer, waar zowat alle Tour-sterren zouden rijden. Veel zin had hij niet. Hij was doodop. Maar wat moet je anders? Thuiszitten, op de bank voor je uit zitten staren, eten, toegeven aan je vermoeidheid? Je voelt het niet eens de eerste dagen, die vermoeidheid. Er heerst leegte. Je fietst maar mee in die molen van de criteriums.

In de weken na de Tour de France rijden de beroepswielrenners bijna dagelijks een criterium. Rob Harmeling (26) is deze zomer voor het eerst een van de trekpleisters. Hij was een opvallende verschijning in de Tour, omdat hij als laatste in het klassement eindigde. Moe, leeg gereden reed hij plichtsgetrouw de criteriums - de "rondjes rond de kerk' van een kilometer of twee die wel vijftig keer moeten worden afgelegd. Vijftien reed Harmeling er na de Tour de France, in veertien dagen tijd. De knop omdraaien en het gaat wel weer.

Hij is die ochtend om tien uur opgestaan. 's Nachts was hij om twee uur thuisgekomen van het criterium in ...?? “Tja, hoe heet dat mooie plaatsje ook al weer?” Het had geregend, de wedstrijd was voortijdig beëindigd omdat het te gevaarlijk werd voor de renners. Ze waren door een winkelpassage geleid, smal en bochtig, over weggetjes met kinderkopjes, langs vervaarlijke dranghekken, in de schemering. Een criterium rijden is heel anders dan een etappe in de Tour. Je moet steeds maar aanzetten in die bochten. Dat vereist kracht in je bovenbenen, en concentratie. En je bent al zo moe. Gelukkig was het door het slechte weer al na tachtig kilometer voorbij.

Hoe komt een criteriumrenner de zomer door? Harmeling heeft een tweeslachtig gevoel over deze periode. Enerzijds geniet hij van de sfeer rondom de criteriums. Hij wordt toegejuicht. De mensen hebben plezier. En wat is sport zonder sfeer? Hij verdient een aardig bedrag aan startgeld als gevolg van de populariteit die hij in de Tour opdeed. Maar aan de andere kant verlangt hij naar het serieuzere werk, naar echte sport en vooral naar rust. Sinds mei is hij in totaal acht dagen thuis geweest. Eerst de Ronde van Italië, dan een etappekoers in Spanje, het nationaal kampioenschap, vervolgens de Tour. Straks, in oktober, is hij vrij. Pas dan kan hij genieten van zijn in april geboren zoontje.

“Ik heb nog niet de tijd gehad om na te genieten van wat ik in de Tour allemaal heb meegemaakt. Ik zou het liefst op m'n gemak wat dingen willen doen, op de motor rondrijden. Eens naar het café, om een stuk in je kraag te zuipen, een grote zak patat te eten met een kwak mayonaise. Maar je kunt je geen uitspattingen veroorloven. Vorige week was ik in Noordwijk. Ik zag mensen op het strand liggen. Maar ik mocht niet. Ik zit hier thuis de halve dag maar te staren, te wachten tot ik weer moet. Ik ben nog niet eens op het dorp geweest om een cd'tje te kopen.”

Tegen een uur of twaalf stapt hij op de fiets, voor een traininkje van een uurtje. Want je moet de spieren los houden. Hij zou het niet durven over te slaan. Om een uur of vier sopt hij zijn fiets een beetje af, al is het alleen maar om te kijken of er niets kapot is. Hij eet een bord yoghurt met muesli en stapt vervolgens in de auto. Zes broodjes, drie bananen, vier sultana's en een kruik limonade bij de hand. Op weg naar het volgende criterium. Dit keer in Surhuisterveen. Zijn vader gaat mee als chauffeur. En als materiaalman. Want in een criterium moet er iemand langs de kant staan met reservewielen voor het geval hij pech krijgt. Een andere keer gaat zijn broer mee of misschien wel zijn vrouw of zijn moeder. Maar de laatste gaat altijd aan de wandel. En dat is lastig als je lek rijdt.

Het criterium van Surhuisterveen is maar tachtig kilometer. Na ruim twee uur koersen zit hij weer in de auto op weg naar huis. Daar wacht de warme maaltijd. Kip met rijst, een donker biertje. Dan is het intussen wel één uur in de nacht geworden.. Probeer dan maar eens meteen te slapen. Er zit geen ritme in je leven. “Maar ik voel het als een soort plicht tegenover de wielersport. De mensen komen speciaal voor jou. Als je je niet in de criteriums laat zien, stel je wielerliefhebbers teleur. En de wielersport moet het toch van de publieke belangstelling hebben.”

De criteriums zijn niet zo vermoeiend, ze zijn maar kort en echte wedstrijden zijn het niet, relativeert Harmeling. Er bestaan stilzwijgende afspraken. Passeren in de bochten mag bijvoorbeeld niet. Dat is te gevaarlijk. Schending komt je onmiddellijk op een hartgrondige vloek van collega's te staan. Je mag ook niet met kettingbladen met twaalf en dertien tandjes, een grote versnelling, rijden. Als iedereen zich bij de zestien en de zeventien houdt, is de snelheid minder hoog en heeft iedereen gelijke kansen. “Je hebt er wel een twaalf op staan, maar je gebruikt hem niet. Je beschermt elkaar”, verduidelijkt Harmeling.

Maar de renners houden zich steeds minder aan die afspraken, zo heeft hij ervaren, “Iedereen rijdt voor zijn brood.” Er is ook geen leider meer, zoals vroeger, die de zaken in de gaten houdt. “Het wordt een jungle.” Afspraken over wie er mag winnen kunnen ook nauwelijks meer worden gemaakt. Iedereen wil winnen. Dat een organisatie liever een streekrenner of een buitenlandse Tourvedette ziet winnen, kan hij zich voorstellen. Maar de organisatie heeft niets te eisen. Hij heeft het nooit gehoord. “Maar misschien kom ik niet in de positie om dat te horen.”

Harmeling geeft toe dat er weleens wordt gezegd dat “je met dure renners voorzichtig moet zijn”, dat “ze niet voor niets trekpleisters zijn”. Toppers beschermen elkaar, zoals in alle koersen. Winnen doe je bij de gratie van anderen. “Snotapen mogen niet winnen.” Dat is niet goed voor de sport.

Twee weken geleden won hij zelf voor het eerst na drie jaar als beroepswielrenner, in Tiel. Hij was vlak voor het einde gedemarreerd. Op leven en dood had hij zich in de invallende duisternis door de bochten gegooid. Nog geen meter na de finish schoot de eerste achtervolger al voorbij. Hij schrok, maar hij had gewonnen. Geen echte wedstrijd, maar toch. Het houdt je op de been.

Vroeger, toen hij nog nauwelijks werd aangetrokken voor een criterium, waren de rondjes rond de kerk uiterst lucratief voor een Tourrenner. Dan moest het Grote Geld worden verdiend. Tegenwoordig is het wat minder interessant. Renners als Chiappucci, Bugno, Breukink en Van Poppel verdienen duizenden guldens aan startgeld, ze slaan een groot deel over. Voor de kleinere is het slechts een extra plakje kaas op het brood. De salarissen zijn tegenwoordig al meer dan toereikend.

De renner uit Nijverdal zegt niet eens te weten wat hij precies krijgt. Zijn ploegleider heeft al in de Tour met de coördinator van de criteriums een prijs afgemaakt. Hij is er uiterst tevreden mee. Maar wat hij tot nu toe heeft verdiend aan start- en prijzengeld en premies, weet hij niet. Levert het winst op dat hij de Tour beëindigde als drager van de rode lantaarn? “Nee, ze willen geen jokers meer belonen.” Ja, een rood geverfde petroleumlamp heeft hij een paar keer gekregen.

Aan het einde van het jaar krijgt hij al het geld dat hij heeft verdiend op de bank. Op een computeruitdraai staan de specificaties. “Als je wat wilt regelen in de koers, moet je dat uit eigen zak betalen. Maar waarom zou je dat doen? Het is het toch niet waard. Criteriums zijn goed voor de publiciteit, voor de sponsor, voor de wielersport. Maar eigenlijk is het niet meer dan een ontspannen wedstrijdje.”

Hij heeft gehoord dat het vroeger gezelliger was. Dan ging je na afloop naar het café van de organisatie. Daar lag een envelop klaar met je geld. Dan namen ze met z'n allen nog een paar biertjes en gingen laat naar huis. Dat is er niet meer bij. “Als je nu blijft hangen, ben je de enige. Dat doe je niet. Want dan kun je de volgende dag niet meer meekomen. De sfeer is duidelijk minder. Het is na afloop: rugnummer inleveren en wegwezen. Naar huis, morgen is er weer een criterium.”