De Sovjet-Unie als een vernederde wereldmacht

Toen hij vorig jaar december op een naderende dictatuur attenteerde is zijn waarschuwing in de wind geslagen. Gisteren sprak Edoeard Sjevardnadze opnieuw duidelijke taal. Hij deed dat vanaf het balkon van het Russische parlementsgebouw met de woorden: “Als de staatsgreep slaagt, zal dat niet alleen een periode van terreur inluiden, maar ook een terugkeer van de Koude Oorlog”. Deze keer kunnen we beter luisteren.

Het zal wel door hoop zijn ingegeven, maar iedereen in West-Europa zegt het elkaar na: de staatsgreep in Moskou heeft vooral binnenlandse oorzaken en gevolgen. Het gaat er om orde en recht te herstellen en het uiteenvallen van de staat te voorkomen. Maar wie zegt dat het de zelfbenoemde redders van de natie alleen daarom gaat? Misschien zinnen ze er ook op dat er een einde komt aan wat zij ervaren als een vernedering van de Sovjet-Unie. Zo schrijft het comité voor de noodtoestand in zijn proclamatie: “Terwijl gisteren een Sovjetburger zich in het buitenland nog een waardige burger van een invloedrijke en geachte staat voelde, is hij nu vaak een tweederangs buitenlander die men of met minachting of medelijden bejegent”. Wat voor de individuele burger geldt is zeker van toepassing op de staat als geheel. Een bedelende president bij een topconferentie van Westerse industriële mogendheden in Londen, een minister van buitenlandse zaken die militair ingrijpen tegen een belangrijke bondgenoot, Irak, steunt en de machtspositie in de DDR opgeeft, het zijn evenzovele slagen in het gezicht van wat ooit een trotse natie was. Uiteindelijk is het een begrijpelijke, maar in haar consequenties misdadige nostalgie die de plegers van de staatsgreep motiveert: de redding van de Sovjet-Unie als wereldmacht en het verzekeren van de staatkundige eenheid gaan hand in hand.

Terwijl Gorbatsjov begreep dat enkel een militaire terugtocht het land overeind kon houden, staat nu weer de nationale veiligheid voorop, ook al gaat dat ten koste van de mogelijkheden van economische wederopbouw. Voor de conservatieven lijkt de prijs van internationaal isolement niet te hoog. Integendeel: de groeiende afhankelijkheid van de wereldeconomie zien ze juist als een ondermijning van de soevereiniteit van de Sovjet-Unie en ze gruwden van Gorbatsjov's redes waarin deze een afscheid van de internationale klassenstrijd predikte. Juist de losmaking van de Sovjet-Unie uit de fragiele consensus tussen Oost en West, met enige overdrijving ook wel "nieuwe wereldorde' genoemd, lijkt hen voor ogen te staan.

Frustatie over de militaire vernedering van de Sovjet Unie is één van de verklaarde motieven voor deze staatsgreep. Het is deze weerzin tegen de veronderstelde zwakte van de Sovjet-Unie die gevaarlijk is. Het herstel van de Sovjet-Unie als wereldmacht zal moeten blijken uit een eigen machtspolitiek binnen en buiten haar grenzen, hetgeen een verhoogde spanning belooft. Daarom zal het slagen van deze staatsgreep dodelijk zijn voor de samenwerking tussen Oost en West op tal van terreinen. Het valt niet te verwachten dat deze poging om de Sovjet-Unie op den duur als wereldmacht te redden, zal lukken. Want het was natuurlijk geen toeval dat de aanvankelijk timide hervormingen van Gorbatsjov uitliepen op de erkenning van het machtsverval, zowel in Midden-Europa en Afghanistan, als in de perifere republieken. Het uiteenvallen van het imperium is tijdelijk met geweld te blokkeren - en tijdelijk betekent misschien wel tien jaar, maar het verdwijnen van het Russische wereldrijk zal uiteindelijk onvermijdelijk blijken.

De machtswisseling luidt dan ook een angstige periode van open crisis in. Wie de aarzelingen van het comité ziet, beseft dat de paleisrevolutie nog lang niet is geslaagd. Mocht dat straks wel het geval zijn, dan nog is het een "tijdelijke' terugslag en dient als zodanig te worden behandeld. Er is dan ook geen reden tot een gemakzuchtige accommodatie met de nieuwe machthebbers. De admistratieve chaos zal voortduren in de Sovjet-Unie, vele machtscentra zullen naast en tegen elkaar in bestaan, de economische neergang zal voortduren, enzovoorts. Het graan wordt niet met een bajonet geoogst, de sociale vrede al helemaal niet.

Wat kunnen de Westerse landen tegen deze achtergrond doen? De belangen van het Westen zijn groot en de mogelijkheden tot beïnvloeding zijn bescheiden, maar wel degelijk aanwezig. Die invloed loopt langs verschillende lijnen: er is sprake van een open crisis en er zijn dus alternatieve machtscentra die men kan steunen, de Sovjet-Unie zal in weerwil van alle retoriek afhankelijk blijven van de wereldmarkt en tenslotte behoort een heel netwerk van verdragen tot de erfenis die Gorbatsjov achterlaat. Op de houding van de Verenigde Staten en de Europese Gemeenschap valt weinig aan te merken, maar de relatief harde en eensgezinde afwijzing van wat een "ordinaire, klassieke staatsgreep' wordt genoemd roept nadere vragen op.

In de eerste plaats moet erkenning van dit illegale regime worden vermeden. Tot nader order dient Gorbatsjov als wettige president van het land te worden beschouwd en moeten zoveel mogelijk contacten met de gekozen regeringen van de republieken worden onderhouden. Zolang de machtsstrijd onbeslist is, kan op deze manier invloed worden uitgeoefend. De grote vraag is natuurlijk hoe lang zo'n opstelling kan worden volgehouden als het regime zich in weerwil van de druk van binnen en buiten toch consolideert? Hoe valt het te rijmen dat de Westerse landen enerzijds nadruk leggen op het nakomen door het nieuwe bewind van de internationale verplichtingen van de Sovjet-Unie èn anderzijds datzelfde regime als ongrondwettig typeren. Dat is een gespleten houding die welhaast om wankelmoedigheid vraagt.

Men kan er zeker van zijn dat de verleiding van een normalisering van de betrekkingen snel sterker zal worden. Duitsland heeft - met zo'n driehonderdduizend Sovjet-militairen op zijn grondgebied en een behoorlijk sterke economische band met de Sovjet-Unie - een beperkte manoeuvreerruimte. Tot nog toe heeft Duitsland zich niet onttrokken aan de harde afwijzing, maar wel zijn er voorbehouden gemaakt bij economische sancties. Ook in andere landen zal de verleiding groot zijn om toch zaken te doen na verloop van tijd. Het zijn de klassieke dilemma's - mensenrechten versus business as usual - waarvan men hoopte dat ze zich na 1989 niet meer zouden voordoen.

In de tweede plaats is men het erover eens dat er los van het verdere verloop van de crisis in de Sovjet-Unie veel meer aandacht moet bestaan voor de democratisering en stabiliteit in Midden- en Oost-Europa. Anders gezegd: het is een verlicht eigenbelang van West-Europa om meer bij te dragen aan de bescherming van Midden- en Oost-Europa tegen de terugslag in de Sovjet-Unie. Ook al is er geen onmiddelijke dreiging voor deze landen, allemaal vragen ze om waarborgen voor hun veiligheid. Daartoe zijn de economische steun en de aarzelende associatieverdragen met de EG, hoe belangrijk ook, niet voldoende. De Navo kan niet in haar positie volharden dat de veiligheidsarrangementen die bijvoorbeeld aan Polen worden aangeboden, ook aan de Sovjet-Unie moeten worden voorgelegd. Er moet verschil worden gemaakt in het Oosten, ook al zal de Sovjet-Unie dat niet op prijs stellen. Het argument dat de Sovjet-Unie niet geïsoleerd mag worden, is na het zelfgekozen isolement weggevallen. Of het nu via de Atlantische of de Europese instituties is, aan landen als Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije, moeten veiligheidsgaranties worden geboden.

Tenslotte is voortzetting van een terughoudende defensiepolitiek nodig. De machtswisseling in Moskou bewijst het gelijk van de behoedzamen, die niet blindelings in de onomkeerbaarheid van de hervormingen in de Sovjet-Unie hebben geloofd. Dat betekent voortzetting van het beleid en geen plotselinge verwerping van de voorgenomen reducties, die zeer voorzichtig waren. De 225 miljoen extra defensieuitgaven van Nederland na de Russische interventie in 1968, was louter voor de publieke tribune en het is niet te hopen dat opnieuw aan deze verleiding wordt toegegeven.

Hier is de vraag natuurlijk hoe realistisch de militaire planning is die zich baseert op de uitvoering van nog niet geratificeerde verdragen op het gebied van conventionele en nucleaire ontwapening. Worden deze verdragen nog getekend en zo ja, worden ze dan nageleefd? Gaat hetzelfde gebeuren met het START-verdrag, als met het SALT II verdrag dat niet geratificeerd werd door de Amerikaanse Senaat na de inval in Afghanistan? Kan men onderhandelen met een bewind dat bestaat uit militairen die de bepalingen van het verdrag over conventionele wapens hebben ontdoken? Ook al ligt het eenvoudig in ons eigen belang om de wapenbeheersing voort te zetten, het lijkt wel zeker dat de vertrouwensbreuk tussen de Sovjet-Unie en het Westen een geweldige terugslag betekent op dit gebied.

De wanhopige poging om de Sovjet-Unie weer in de rol van wereldmacht terug te dringen zal de toch al wankele illusie van een gemeenschappelijk huis in Europa de grond in slaan. Na zes jaar waarachtige ontspanning loopt de scheidslijn in Europa niet meer door Duitsland, maar langs de Pools-Russische grens. Dat is een grote stap vooruit en tegelijk een enorme teleurstelling.