De oprechte naïviteit van Pino Pascali; Bevrijding en jongensachtige fantasie in beelden van jong gestorven Arte Povera-kunstenaar

Overzichtstentoonstelling: Pino Pascali, tot 30 sept. in het Museum Kröller-Müller, Otterlo, di-za 10-17 uur, zo 11-17 uur.

Toen Pino Pascali in 1968 op 33-jarige leeftijd overleed bij een motorongeluk was deze jonge beeldhouwer-"bricoleur' buiten Italië nog geheel onbekend. Maar achteraf blijkt hij een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Arte Povera te zijn geweest, ook al bestond die stroming pas officieel in 1967 toen de Italiaanse criticus Germano Celant de naam bedacht. De huidige tentoonstelling in museum Kröller-Müller, georganiseerd in samenwerking met het Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris, is het eerste overzicht van het werk van Pascali buiten zijn geboorteland.

Pascali, geboren in het Zuiditaliaanse Bari en opgeleid als decorontwerper, studeerde in 1959 af aan de kunstacademie van Rome. Zijn eerste tentoonstelling had hij in 1965 bij Galleria La Tartaruga in Rome, waar hij zijn Pezzi di donna, delen van het vrouwelijk lichaam, toonde. In 1966 exposeerde hij beelden in de vorm van wapens, Armi, in Turijn bij Galerie Sperone, en in hetzelfde jaar opende Fabio Sargentini zijn Romeine galerie "l'Attico', met Pascali's Gefingeerde Sculpturen.

In 1968 volgde opnieuw een presentatie in L'Attico en een tentoonstelling bij Alexandre Iolas in Parijs, een internationaal opererende galerist die Pascali in 1969 in New York wilde brengen. Pascali's laatste expositie was de Biënnale van Venetië, waar een hele zaal met zijn beelden was ingericht. Ongetwijfeld zou de internationale erkenning niet lang meer op zich hebben laten wachten, indien Pascali niet zo jong gestorven was.

De Italiaanse kunst nam in de jaren zestig een hoge vlucht. Er bestond onder de jongere generatie onvrede met de Informele Schilderkunst die overal in Europa de toon aangaf. In Italië behoorden Alberto Burri en Emilio Vedova tot de belangrijkste vertegenwoordigers. Arte Povera duidt op de toepassing van gewone, "niet-artistieke' materialen. Alles kon als grondstof voor een kunstwerk dienen, uitgezonderd traditionele middelen als olieverf en doek, brons of marmer. De materialen hoefden niet per se armzalig te zijn, zoals de naam Arte Povera suggereert: Mario Merz werkte van het begin af aan met neonlampen, en Giovanni Anselmo legde een voorliefde voor lapis lazuli aan de dag. Het was deze kunstenaars te doen om de expressieve kracht die materialen van zichzelf bezitten.

Dit nieuwe fenomeen deed zich in de eerste helft van de jaren zestig overal in Europa in de kunst voor, bijvoorbeeld in Duitsland met Zero en in ons land met de Nul-groep. Maar specifiek voor Arte Povera was de nadruk op de instinctieve, subjectieve beleving, het oproepen van een irrationele gevoelswereld. Het ging om de verbeelding van een de mythe, zoals het later genoemd werd. Bij Arte Povera hield dit, anders dan bij Zero, ook kritiek in op de technologische vooruitgang en de standaardisatie van produkten. Maar het allerbelangrijkste was natuurlijk het idee van bevrijding, van een nieuw soort expressie te ontdekken en de conventies van de kunst van het verleden te doorbreken.

Het eerste dat de bezoeker aan de tentoonstelling ziet, is een kanon dat op hem staat gericht. Het is een speelgoedkanon, geheten Cannone Bella Ciao, en is nauwelijks van een echt kanon te onderscheiden. Pascali vervaardigde het van stofzuigerstangen, stukken van dorsmachines, telefoons, carburateurs, spatborden, en andere onderdelen van afgedankte auto's. De legergroene verf legt er een laagje van "echtheid' over heen.

Er is een verband tussen deze wapen-kunstwerken en de manier waarop Pascali aan het einde van zijn leven kwam. Want helemaal onverwacht was het ongeluk niet; in twee jaar had hij vier keer een ongeluk gehad met zijn motor. De rode lijn in dit oeuvre, dat uit zeer uiteenlopende objecten en technieken bestaat, is een jongensachtige fantasie en hang naar avontuur. Misschien dat daarom ook de Pezzi di donna, ondanks hun grote afmetingen en voluptueuze welvingen, een sfeer van kuisheid, van schroomvalligheid bijna, hebben. Ze zijn de verbeelding van een jongen voor de vrouw. De prachtige Torso van een badende negerin, of de Geboorte van Venus heeft de kracht van een klassiek idool.

Pascali gebruikte voor deze wandbeelden een opmerkelijke techniek: hij spande, net als voor een schilderij, doek over een houten geraamte. Op dezelfde manier maakte hij een verzameling dieren, dolfijnen, dinosauriërs, een neushoorn, een hele menagerie. Ze bestaan uit segmenten, missen vaak een hoofd en doen denken aan een verzameling prehistorische vondsten in een natuurkundig museum. Geschubde, fallisch-aandoende staarten steken uit de muur, alsof de rest van het dier zich aan de andere kant van de wand bevindt. Gefingeerde sculpturen noemde Pascali deze beelden, die vederlicht zijn maar toch zeer plastisch. Het was hem om de buitenkant van de vorm te doen: “Ik gebruik doek niet omdat het op een vacht lijkt, maar juist om een buitenkant te creëren, niet een inhoud.”

Al het werk van Pascali is lichtvoetig en gewichtsloos. Het komt voort uit een kinderlijke fantasie waarbij spel en werkelijkheid moeiteloos in elkaar overgaan. Van schuursponsjes vlocht hij een hangbrug die thuishoort in een film over oerwoud en Tarzan. Kleurige rupsen, gemaakt van huishoudborstels, kruipen over vloeren en muren. Een levensgrote, harige spin van diepblauwe kunstbont, getiteld Blauwe Weduwe, staat roerloos in een hoek.

Het meest ontroerende van de expositie is eigenlijk het plezier in het maken dat uit de objecten spreekt. Het maken van een beeld was voor Pascali belangrijker dan het verzinnen ervan - precies het tegenovergestelde van zijn land- en tijdgenoot, de illustere en eveneens jong overleden Piero Manzoni. Pascali hield van de bezigheid van het vervaardigen, en hiertoe zocht hij steeds naar nieuwe technieken. Zoals hij zei in een interview: “De techniek is mijn leven, maar hij verandert telkens weer; ik vind hem en laat hem weer los (ik ga het water in en word niet nat).”

Tenslotte roept Pascali's werk op overtuigende wijze een klimaat op van nu bijna dertig jaar geleden. De kunst van begin jaren zestig was waarachtig ludiek, de naïviteit was oprecht en niet, zoals tegenwoordig doorgaans het geval is, gespeeld. Het was de kunst van het ontdekken, van de bevrijding; en iets van de vreugde van de ontdekking is in deze kunstwerken nog steeds aanwezig.