Convenant over Duits afval in Rijn getekend

FRANKFURT, 21 AUG. De Duitse chemische industrie aan de Rijn en langs de zijrivieren van de Rijn zal in 1995 aanmerkelijk minder schadelijk afval lozen dan nu. Een overeenkomst van die strekking tussen de gemeente Rotterdam en de VCI, de branche-organisatie van de Duitse chemische industrie, is vanmorgen in Frankfurt ondertekend.

De Rijnovereenkomst heeft betrekking op ongeveer honderd chemische industrieën, waaronder grote bedrijven als Bayer, Hoechst en BASF. De Rotterdamse wethouder milieuzaken A. Verbeek, die namens de gemeente tekende, sprak bij die gelegenheid van een mijlpaal voor de internationale waterbescherming.

Het convenant vloeit voort uit een actie van Rotterdam om het havenslib schoner te krijgen. Van de 23 miljoen kubieke meter slib die de stad jaarlijks laat wegbaggeren, is circa 10 miljoen kubieke meter zo ernstig vervuild dat het niet in zee mag verdwijnen. De massa wordt opgeslagen in een kunstmatig depot, de slufter bij Oostvoorne, die 200 miljoen gulden heeft gekost en toereikend is tot het jaar 2002.

De chemische industrieën in Duitsland zullen nu vooral de lozingen van zeven zware metalen tot 1995 verminderen. Zo moet de hoeveelheid zink van 450 ton per jaar terug naar 270 ton, chroom van 150 naar 50 ton, koper van 80 naar 40 ton en nikkel van 70 naar 45 ton. De lozingen van organische halogeenverbindingen moeten van 1.500 ton tot 900 ton worden teruggebracht en die van cadmium van 1,2 naar 0,8 ton.

De Rijnovereenkomst, zo werd vanmorgen in Frankfurt gezegd, heeft voordelen voor beide partijen. Rotterdam zet een nieuwe stap op weg naar een schonere haven. Daarvoor ziet de stad af van eventuele schadeclaims op de bedrijven die lid zijn van de VCI.

In 1993 zal de VCI rapport uitbrengen over de tot 1992 gerealiseerde verlagingen. Drie jaar later zal de eindstand per 1995 worden opgemaakt. Rotterdam zal zijn metingen vastleggen in een tweejaarlijks verslag over de ontwikkeling van giftige afvalstoffen in het havenslib.