BCCI: een nederige familie op het slechte pad

Jarenlang vormde de BBCI een grote, nederige familie, gespecialiseerd in discreet bankieren. Nu abrupt een einde is gekomen aan het familiegeluk, doen medewerkers op het hoofdkantoor in Londen een boekje open over de omgangsvormen bij de bank. "Wij bankierden op een heel andere wijze dan Westerse banken'.

Slechts enkele van de duizenden toeristen die kuieren door Londens Brompton Road staan even stil en wijzen hun kinderen: kijk, een kantoor van de Bank of Credit and Commerce International. Een fraai pand op de hoek van Beaufort Gardens, op een steenworp afstand van het befaamde Harrods. Een donkerglazen gevel waarachter een bordje "Closed untill further notice'. De enige activiteit binnen het gebouw speelt zich af op de hoger gelegen etages waar het licht brandt. Medewerkers van de officiële bewindvoerder, de accountantsfirma Touche Ross, zijn daar bezig de administratieve chaos uit te zoeken die de BCCI over de hele wereld heeft nagelaten sinds deze "Derde Wereldbank' op 5 juli jl op instigatie van de Bank of England in een groot aantal landen haar kantoren moest sluiten.

Gelet op alles wat de afgelopen weken over BCCI naar buiten is gekomen - fraude, witwassen van drugsgeld, manipulatie met aandelen en rekeningen, zaken doen voor terroristen en wapenhandelaren - kan het nog maanden of langer duren eer de Augiasstal is uitgemest en er enig zicht bestaat op hoeveel geld is verdwenen in de zakken van louche beleggers uit het Midden-Oosten en anderen. Het is zelfs de vraag of Touche Ross voldoende duidelijkheid kan verschaffen voor 2 december. Op dat tijdstip moet de Britse rechter beslissen: nog enig verder uitstel van executie, liquidatie of voortzetting van de bank in een afgeslankte vorm en onder een andere naam en met een geheel nieuw management.

Of de gedeeltelijke reddingspoging slaagt, hangt vooral af van de huidige groot-aandeelhouders van BCCI, de regering van Abu Dhabi en heerser sjeik Zayed bin Sultan al-Nahyan van dat Golfstaatje. Besluit Abu Dhabi er geen dirham meer in steken dan is het definitief met BCCI gedaan.

Voorlopig verkeren depositohouders van de bank, de personeelsleden en de klanten in grote onzekerheid over respectievelijk hun geld, hun baan of de verdere financiering van hun onderneming. Dank zij de gulheid van sjeik Zayed krijgt het BCCI-personeel tot eind november zijn salaris doorbetaald en kunnen de Britse houders van deposito's 75 procent van hun vordering terugkrijgen met een maximum van 5.000 pond. Maar dat geldt voorlopig alleen voor het Verenigd Koninkrijk, waar BCCI overigens veruit haar omvangrijkste activiteiten ontplooide. In andere landen, zoals Nederland, moeten garantieregelingen van de banken worden aangesproken om gedupeerde rekeninghouders enigszins schadeloos te stellen. Het kan heel goed alsnog gebeuren dat het gastland van BCCI's holdinsgmaatschappij, Luxemburg, boos over het uitblijven van schadevergoeding voor BCCI-klanten in de rest van Europa, besluit alsnog tot liquidatie van de bank over te gaan. Een reddingspoging in Groot-Brittannië is dan zinloos. Het zou de Bank of England, die BCCI liever meteen had geliquideerd, een groot plezier doen.

Hoe kon het zover komen met een bank die was opgezet als een tegenpool van de machtige Westerse financiële instituten? Een bank die volgens haar Pakistaanse oprichter, de in de VS wegens diefstal, vervalsing en fraude aangeklaagde Agha Hasan Abedi, haar macht en middelen vooral ten goede moest laten komen aan de Derde Wereld. Een bank die, in de woorden van Abedi zelf, werkte onder het motto "nederigheid'.

Vooral met geld uit het Midden-Oosten groeide de bank in een kleine 20 jaar uit tot een internationaal netwerk met activa van bijna 20 miljard dollar, meer dan 400 kantoren en 14.000 medewerkers in 73 landen. Engeland was met circa 40 kantoren het grootste bolwerk. Dat hield vooral verband met Londens rol als financieel wereldcentrum en met de aanwezigheid van veel Aziaten en Arabieren in dat land. De bank werkte in tal van ontwikkelingslanden in Afrika, Azië en Latijns Amerika. In het licht van de onthullingen over onder andere het witwassen van drugsgeld verbaast het niet dat BCCI, blijkens een interne adreslijst, maar liefst 32 kantoren en agentschappen had in Colombia. Dit land behoorde daarmee naast Hongkong, Nigeria, de Emiraten en het Verenigd Koninkrijk tot BCCI's belangrijkste steunpunten.

“Ze groeiden als kool”, vertelt een BBCI-employee die gezien de gevoeligheid van de materie anoniem wil blijven. “Ze kochten alle goede bankmensen weg uit Pakistan en India. Ze wilden een Derde Wereld-bank worden. Maar mede als gevolg van de geweldige expansie kwamen er mensen aan de top die absoluut geen verstand van het bankiersvak hadden. Ik heb een kantoormanager meegemaakt die daarvoor alleen maar een reisbureau had geleid.”

De enorme hoeveelheid geld die de bank via Arabische beleggers tot haar beschikking had, leidde volgens personeelsleden tot ernorme verspilling. “De top wilde bij voorbeeld per se kantoren op de beste plaatsen in Londen. Vier jaar geleden betaalden ze een premie van twee miljoen pond om een kantoor in Regent Street te kunnen openen. Verder is de bank onder meer eigenaar van het luxe Londense Cromwell Hospital. Daar worden merendeels rijke patiënten uit het Midden-Oosten behandeld door de beste artsen die je kunt vinden”, vertelt een medewerker die net als zijn collega's alleen wil spreken op basis van anonimiteit.

“Wij bankierden op een geheel andere manier dan Westerse banken”, vertelt hij. “Zakendoen in het Midden-Oosten en Azië, is veel meer dan in Europa en Amerika een kwestie van vertrouwen, van elkaar kennen. Een handdruk bekrachtigt een transactie, al gaat het om nog zoveel geld. Of iemand een paar ton leent of een paar miljoen, het gebeurt wederwijds met de vaste overtuiging dat dat geld te zijner tijd wordt terugbetaald. Vooral in het Midden-Oosten speelt eer een belangrijke rol.”

Pag.19:

"Wat wij proberen te doen, is nog nooit geprobeerd'; Ons geweten is rein, onze bedoelingen zijn helder en onze vastberadenheid oprecht

Elke BCCI-manager kende zijn eigen klanten persoonlijk. "Relationsship' was binnen BCCI een begrip, vertellen BCCI-employees. “En dat ging heel ver. Ten behoeve van, vaak steenrijke, cliënten was de dienstverlening vrijwel onbeperkt. BCCI verzorgde vliegtickets, zorgde voor dure auto's, voor vertier, kortom voor bijna alles. We beschikten zelfs over een grote Boeing waarmee we goede relaties over de hele wereld rondgevlogen en entertainden.”

“Het kwam ook voor”, vertelt een werknemer, “dat een klant je s'avonds thuis een hoeveelheid contant geld liet afleveren, grote bedragen soms, met het verzoek die op hun rekening te storten. Daar maakten wij geen punt van, want je kende elkaar. Omgekeerd kwam het ook voor dat een rijke Arabier, die 's avonds het casino wilde bezoeken, je liet vragen hem even 20.OOO pond cash in zijn hotelsuite te bezorgen.”

In de eerste helft van de jaren tachtig nam de BCCI-top zijn toevlucht tot fraude en misleiding, zo is inmiddels gebleken. Om verliezen te camoufleren werd met geld geschoven van de ene naar de andere fictieve rekening. Stromannen kregen grote leningen - die ze nooit meer konden terugbetalen - om BCCI-aandelen te kopen of om in het geniep belangen in Amerikaanse banken op te bouwen. En bij dubieuze transacties op de financiële markten gingen honderden miljoenen dollars verloren.

Maar volgens insiders lag de oorzaak van BCCI's geleidelijke aftakeling niet alleen aan een corrupte top. Ook het middle-management, directeuren van vestigingen, was vaak niet op zijn taken berekend. “BCCI bezat een aantal hele goede bankmensen en op het gebied van de financiering van handelstransacties waren we misschien wel de beste bank ter wereld. Maar het kwam ook voor dat een kantoor-manager slechts één hele grote klant had. Daarop teerde hij dan volledig en verwaarloosde de rest van z'n taken.”

Nepotisme vierde hoogtij binnen de bank, bevestigen mensen van binnenuit. Dat werd heel gewoon gevonden want in de cultuur waaruit de bank voortkomt, vormt het benoemen van vriendjes en familieleden en mensen uit dezelfde bevoorrechte kringen, bekwaam of niet, bepaald geen uitzondering. In Pakistan en India, de landen die - met Pakistan veruit aan kop - de meeste BCCI-managers leverde, is het een zeer normaal verschijnsel.

Maar waarom heeft niemand van het BCCI-personeel eerder aan de bel getrokken en de financiële autoriteiten getipt over wat er allemaal mis was? Een werknemer in Londen: “De loyaliteit binnen de bank was heel erg groot. Het was één grote familie, zelfs nu nog, nu niemand meer zeker is van zijn baan. Ze betaalden je goed en ze zorgden ook verder goed voor je. De mens stond steeds voorop. Als je persoonlijke problemen had, kon je zoveel geld lenen als je nodig had. Er werd gestrooid met cadeaus, zeker bij huwelijken en andere bijzondere gelegenheden. Ze lieten je nooit vallen.

“Ik werk pas een paar jaar bij de bank, maar ik had vrij snel door dat er van alles niet klopte. Maar tegelijkertijd werd ook ik warm getroffen door die familieband. Net als bij andere banken werd BCCI-baliepersoneel formeel wel gewaarschuwd tegen witwasactiviteiten - een BCCI-circulaire geeft precies de wegen aan waarlangs dat gebeurt - maar tegelijktijd bestond er een geheim intern boekwerk dat aangaf hoe de regels discreet konden worden ontdoken.”

Zoals bekend heeft BCCI voor Noriega op grote schaal drugsgeld witgewassen. Wat er op die Noriega-rekening gebeurde, deed bankpersoneel met de ogen knipperen. Op een dag kwam er bij voorbeeld 7 miljoen dollar binnen, de volgende dag ging er 5 miljoen naar Zwitserland en een dag later kwam er 14 miljoen weer terug die vervolgens in porties van enkele miljoenen op verschillende rekeningen werd werden overgemaakt.

De leiding van BCCI deed er alles aan om schandalen die naar buitenkwamen tegenover het personeel te sussen met geruststellende verklaringen. “Dear Family Member”, schrijft BCCI-topman Swaleh Naqvi in maart 1990 aan zijn medewerkers, “nooit meer zullen wij toestaan dat de faciliteiten van de bank worden misbruikt door onscrupuleuze elementen” en “nooit meer zullen we toelaten dat de goede naam van onze bank te grabbel wordt gegooid door onzorgvuldigheid, onverschilligheid of gebrek aan waakzaamheid”. Een maand eerder had BCCI in Tampa, Florida een beschuldiging van het witwassen van drugsgeld bij de Amerikaanse justiële autoriteiten kunnen afkopen.

Naqvi, onlangs in de VS aangeklaagd wegens fraude, diefstal en vervalsing, schreef zijn personeel in het eenmaal per kwartaal verschijnende blad BCC International, een uitgave die nadrukkelijk uitsluitend voor interne verspreiding was bedoeld: “Ons geweten is rein, onze bedoelingen zijn helder en onze vastberadenheid is oprecht”.

Zelfs nu nog, met een hoogst onzekere toekomst voor zich, blijven sommige BCCI-werknemers het voor hun bank opnemen. Niet dat ze fraude op zichzelf goedpraten maar, zegt er een “als BCCI niet voor Noriego had gebankierd, zou een andere bank het wel hebben gedaan. Alle top-banken in de wereld hebben wat betreft het witwassen van drugsgeld boter op hun hoofd. En hetzelfde geldt voor het zaken doen voor terroristen als Abu Nidal.”

Alle vieze zaakjes werden binnen BCCI door een groep van 11 tot 15 topmensen georganiseerd, vertelde oud-topman Rahman een senaatscommissie in de VS eerder al. Een personeelslid in Londen bevestigt dit. Hij zegt: “De meeste vuile zaakjes liepen via de Kaaijman-Eilanden. Maar wat zich daar precies heeft afgespeeld, daar komt niemand ooit achter. Ze hebben er wel voor gezorgd dat alle sporen grondig zijn uitgewist.”

Het had, volgens een BCCI-medewerker, weinig gescheeld of de internationaal in opspraak geraakte bank had op 5 juli al niet meer onder die naam en onder de oude leiding bestaan. Een week voordat de Bank of England het sein gaf voor het internationale ingrijpen tegen BCCI was er, aldus dit personeelslid, een akkoord met de groot-aandeelhouders uit Abu Dhabi over een reddingsplan. “Er zouden forse ontslagen vallen. De bank, althans de onderdelen in Europa en Canada, zou worden omgedoopt in First European Bank en onder leiding komen te staan van S. King, afkomstig van Lloyds Bank. Het organisatie-adviesbureau Booz Allan Hamilton was door sjeik Zayed van Abu Dhabi gevraagd te onderzoeken welke afdelingen en kantoren moesten worden gesloten. De employees wisten dat er grootscheepse ontslagen zouden vallen. Het moreel was zeer slecht.”

Wat er van dit reddingsplan over is, is niet duidelijk. Booz Allen, Hamilton wil er niet meer over kwijt dan dat het bureau “enige opdrachten voor de groot-aandeelhouders heeft uitgevoerd”. Het plan kon niet doorgaan omdat het kort erop verschenen rapport van accountsbureau Price Waterhouse dermate vernietigend was voor BCCI dat de Britse centrale bank onmiddellijke actie nodig achtte.

De wijze waarop de voormalige BCCI-topman Naqvi zijn medewerkers doorgaans benaderde - op de toon van de wijze vader die zijn gezin toespreekt, doorspekt met veel hoogdravende frases en aanmoedigingen - was kenmerkend voor de BCCI-cultuur. De in Pakistan bewierookte BCCI-oprichter Agha Hasan Abedi, bleek eveneens een expert in het verwoorden van de hoge idealen van BCCI. Abedi had bij de stichting van de bank in 1972 de visie "een brug te bouwen waarover alle volkeren van de wereld tesamen zouden komen (....) om samen een stoutmoedige toekomst te scheppen met één wereld, één natie en één bank'.

BCCI's interne publikaties stonden bol van dit soort holle frases. Vage verhandelingen over metafysisch management vormden er een onderdeel van de indoctrinatie van het BCCI-personeel. BCCI's uiteindelijke doel was "de omvorming van natuurlijke, economische en menselijke hulpbronnen via haar bankactiviteiten. Niet alle personeelsleden zouden deze op de metafysica gebaseerde doelstellingen delen maar... de visionaire leiders zijn metafysische managers', zo heette het.

Het eerste nummer van het BCC International, uit maart 1984, legt uit hoe belangrijk het begrip "nederigheid' in de bedrijfsfilosofie van de bank is. "BCC is een aspiratie. Wat wij proberen te doen, is nog nooit geprobeerd (...). Wij trachten dienstbaar te zijn waar dat mogelijk is maar vooral in de Derde Wereld. We hebben daarom een grote verantwoordelijkheid op onze schouders genomen (...)' En even verder: "Zowel uit materieel als uit moreel oogpunt is BCC op het juiste moment ontstaan (....). Sinds onze start is het ons zo goed gegaan dat we onszelf mogen afvragen of een onzichtbare hand het lot van onze organisatie stuurt'.

Met nederigheid in het vaandel zou alles goedkomen, geloofde de top van BCCI. Welnu, nederig hebben ze zich betoond de personeelsleden van BCCI. Nederig en loyaal, niet alleen tegenover de top die allerlei onwettige en frauduluze handelingen toeliet of zelf entameerde, maar ook jegens de clientèle. Voor een aantal rijke klanten uit het Midden-Oosten - een categorie waaraan BCCI haar onstuimige groei ontleende, waren BCCI's personeelsleden dikwijls niet meer dan voetvegen die alle wensen te vervullen hadden. “Soms had je van dat soort klanten heel wat shit te slikken”, zegt een personeelslid bitter.

Het was BCCI's bewuste politiek zoveel mogelijk bekende en vooraanstaande personen op een of andere manier aan de naam van de bank te verbinden. Een personeelslid: “Iedereen weet dat veel staatshoofden in Afrika door en door corrupt zijn. Voor BCCI was dat geen bezwaar om zaken met ze te doen want zo iemand was tenslotte de belangrijkste vertegenwoordiger van een land en dat genereerde weer nieuwe zaken.”

Een andere manier om achting te verwerven was BCCI's grootscheepse betrokkenheid bij charitarieve projecten. BCCI-stichter Abedi was oprichter en voorzitter van de Third World Foundation fot Social and Economic Studies en bewindvoerder van de Cambridge Commonwealth trust. Los daarvan was hij voorzitter van de ICIC Foundation in Groot-Brittannië en verschillende liefdadigheidsorganiaties in andere landen waaronder zijn eigen land Pakistan.

BCCI gaf in Engeland financiële en andere hulp aan het project Youth Business Trust, opgericht door prins Charles om jonge mensen meer kansen te geven in de Britse economie. In december l989 overhandigde directeur Naqvi een cheque ter waarde van een half miljoen pond aan deze Trust. En Dildar Rizvi, een andere topman van BCCI, werd door prins Charles zelfs tot lid van de aviesraad van de trust benoemd. De foto van de Britse kroonprins prijkt groot bij het verhaal over de gebeurtenis in BCCI's magazine. Ook Save the children (beschermvrouwe prinses Anne) werd actief en financieel door BCCI gesteund. Veel van deze organisaties bankierden zelf bij de bank.

In vrijwel elk nummer van dat huisorgaan komen trouwens wel een of meer verhalen voor over de de steun die BCCI verleende voor Project 2000, een iniatief waarvoor de voormalige Amerikaanse president Jimmy Carter en zijn vrouw Rosalynn zich intensief inzetten. De organisatie financiert projecten in de Derde Wereld op het gebied van onder meer onderwijs, landbouw en gezondheidszorg.

De bank had een groot aantal verschillende credit cards. Een aantal van die kaarten was voorbehouden aan beperkte categorieën mensen zoals leden van de Britse vereniging van hoofdonderwijzers en mensen van de politiefederatie in het Verenigd Koninkrijk.

De laatste jaren wordt in de interne BCCI-publikaties duidelijk gewezen op noodzakelijke verandering en vernieuwing binnen de bank. Eind 1989 - het jaar waarin de winst van de bank omslaat in een fors verlies - is een heel BBCI-magazine gewijd aan die vernieuwing. BCCI sleutelt op dat moment aan de structuur van het topmanagement. Er komt een uit vijf leden bestaand "Executive Committee' bedoeld om de president-directeur te ondersteunen. Maar Naqvi behoudt een grote invloed: hij zit het comité voor en kan het comité naar eigen inzicht samenstellen en wijzigen. Een jaar later, als de immense problemen bij de bank langzaam zichtbaar worden, stapt Naqvi zelf op.