Andrej Roiter: "Ik ben een exponent van de grote veranderingen'

De Moskouse schilder Andrej Roiter wilde in Amsterdam wonen vanwege het internationale karakter van de stad. “Je hebt hier niet het gevoel dat je in een bepaald land woont, maar in de wereld. Ik ben een cosmopoliet'. In de zomerserie komen dit jaar buitenlandse kunstenaars die in Nederland wonen aan het woord. Dit is de tiende aflevering

Op de betegelde vloer van zijn atelier in Amsterdam-Zuid staat een treintje van kunstwerken. Andrej Roiter (Moskou, 1960) monteerde houten wieltjes onder zes kleine linnen doeken. De schilderijtjes liggen met de - onbeschilderde - doekzijde naar beneden. Op de achterkant, tussen het houten spieraam, bevestigde hij afbeeldingen: een foto van een Japans gebouw, een foto van een Duitse oorlogsinvalide met zijn kunstbeen in een rugzak, een bladzijde uit zijn Russische paspoort. Het treintje laat zich lezen als een reis door de tijd en om de wereld. De kunst van Roiter gaat over zijn eigen geschiedenis, maar ook over dé geschiedenis.

In de installatie en in het boek "Private Geography' combineert Roiter foto's uit zijn eigen familiealbum - zijn vader in een kano - met algemene beelden: het huis van Hitler, de Berlijnse muur, een wolkenkrabber in Moskou, vriendelijke, romantische landschappen. Roiter: “Ik ben een exponent van de grote veranderingen die de laatste tien jaar hebben plaatsgevonden, niet alleen in Rusland, maar ook hier, in Europa. Mijn ervaringen zijn ook de ervaringen van mijn ouders, en van honderden mensen die ik nooit ontmoet heb.”

Ik sprak Roiter voor de staatsgreep van zondagnacht. Als ik hem nog een keer bel, zegt hij geschokt te zijn. “Als je de gezichten van de nieuwe leiders ziet, denk je meteen terug aan de tijd van Brezjnev. Het zijn mannen van middelbare leeftijd die niet aan de toekomst denken. Ze willen alleen hun privileges behouden.” Als hij nu in Moskou was, zou Roiter wel de straat opgaan, maar echt helpen zullen de demonstraties waarschijnlijk niet. “Één tank kan duizend mensen doden.” Aan de andere kant houdt Roiter zich ook nu erg op afstand. “Ik ben geen dissident en ik wil geen politieke uitspraken doen. Ik ben onder andere kunstenaar geworden omdat dat een andere manier van leven inhoudt. Ik wilde mezelf buiten de maatschappij plaatsen.”

In zijn atelier staan een paar supermarktwagentjes. Aan de muur hangt een afbeelding van een sappig stuk vlees waar een vork in is geprikt en op een andere muur staat "Port en Wijnen' geschreven. Voor Roiter deze ruimte betrok was het een kleine buurtsupermarkt. Roiter kreeg de supermarkt met de inboedel er nog in, levensmiddelen, toiletartikelen, het hele assortiment.

Roiter: “Toen was ik echt in het Westen. De Russen kunnen niets kopen, en ik had opeens de beschikking over een hele supermarkt.” Roiter wilde de inboedel naar zijn familie in Moskou sturen, maar zag daarvanaf uit angst dat de zending tijdens de reis geplunderd zou worden. Nu stuurt hij zijn vader scheermesjes. “Dat mijn atelier een voormalige supermarkt is, is minder vreemd dan het lijkt. Het past in mijn persoonlijke geschiedenis. In Moskou werkte ik in een kleuterschool, mijn eerste atelier in Amsterdam was een lagere school.”

In Moskou maakte Roiter deel uit van de kunstenaarsgroep "Kindergarten'. Zijn leermeester was Ilja Kabakov. Het was een ondergrondse groep, al houdt Roiter niet van die benaming. “Woorden als ondergronds, onofficieel en dissident zijn te politiek, en met politiek wilde ik niets te maken hebben.” De kunstenaars die in de jaren zeventig nog in de sociaal-realistische stijl werkten, deden dat volgens Roiter ook niet meer uit liefde voor de communistische utopie. “Niemand was meer enthousiast voor de officiële mythe, voor het arbeidersparadijs. De cynici verdienden er geld mee.”

Toen in 1985 de perestrojka in de beeldende kunst toesloeg, kwam Roiters groep plotsklaps bovengronds. Over de grote westerse belangstelling voor Russische kunst in die tijd is hij niet onverdeeld positief. “Het was een mode. Men was niet werkelijk geïnteresseerd in kunst, men was uit op souvenirs. De Russische kunstenaars waren niet gewend aan de mogelijkheid hun werk te verkopen. Toen Kabakov na vijftien jaar voor het eerst een schilderij verkocht, kon het niet door de deur van zijn atelier. Het was te groot, Kabakov had er geen rekening meegehouden ooit nog iets te verkopen.”

De Duitse chocoladefabrikant Ludwig was de eerste westerling die werk van Roiter kocht. In 1989 reisde Roiter voor het eerst naar het buitenland, naar Brussel, "een rustige, provinciaalse stad'. Een cultuurschok bezorgde de reis hem niet; die kreeg hij pas toen hij na drie maanden terug naar Rusland ging.

“Het was of ik honderd jaar terug in de tijd reisde, alsof ik terecht kwam op een andere planeet. Nu kon ik zien hoe anders alles in Rusland is. Want alles is er anders: de gezichten van de mensen, de bomen, de planten, de huizen, het oppervlak van de muren.”

Inmiddels heeft Roiter heel wat westerse landen, waarin zijn werk tentoongesteld werd, bezocht (Amerika, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Nederland). Het verschil tussen Europa, Amerika en de Sovjet-Unie legt hij uit aan de hand van de uitstraling van hamburgergigant MacDonalds. “In West-Europa is MacDonalds een schoon, rustig restaurant waar ouders met hun kinderen naar toe gaan. In Amerika is het er vies, zelfs de hamburgers smaken er viezer dan hier. Het is een schuilplaats voor daklozen. In Moskou staat men twee uur in de rij voor een bezoek aan MacDonalds en een hamburger kost er 12 roebel, hetzelfde bedrag als ik daar maandelijks voor de huur van mijn atelier betaalde.”

“In Rusland zou ik nu miljonair zijn”, zegt Roiter. “Ik heb medelijden met de Russen. Toen Gorbatsjov aan de macht kwam, heerste er euforie. Nu het paradijs niet is gekomen, gelooft men weer in Jeltsin. Maar de Russen gaan van een verkeerde vooronderstelling uit. Eén man kan nooit alles veranderen, dat moeten ze eerst begrijpen. Ze moeten zichzelf veranderen, en dat duurt lang.” Door de staatsgreep is zijn standpunt niet veranderd.

Roiter koos in het westen Amsterdam als thuisbasis omdat het zo'n internationale stad is. “Iedereen spreekt Engels. Je ziet veel zwarten op straat, en mensen uit Indonesië. Net als in New York en in Moskou heb je hier niet het gevoel dat je in een bepaald land woont, maar in de wereld. Ik ben een cosmopoliet, ik ben ook geen Rus, ik heb Duits, joods en Oekraïens bloed.

Met andere Sovjet-burgers die zich in Amsterdam gevestigd hebben heeft Roiter geen contact. “Ik ben geen immigrant. Immigranten moeten zich aan hun nieuwe omgeving aanpassen en dat wil ik niet. Ik hoef ook geen ander paspoort.” Het liefst ziet hij zichzelf als een "permanent stranger'. “Dat was ik ook al in Rusland. In het communisme heb ik nooit geloofd. Mijn grootvaders hebben beiden onder Stalin vijftien jaar in een concentratiekamp gezeten. Daardoor hebben mijn ouders elkaar ook ontmoet: hun vaders zaten in hetzelfde kamp. Door kunstenaar te worden plaatste ik mezelf buiten de normale maatschappij. Ik wil geen gewoon leven leiden. ”

Roiter vertelt dit als we voor een schilderij staan van een operatiekamer, waarin een verpleegster het Zwarte Vierkant van Malevitsj aan twee dokters laat zien. “Voor mij was Malevitsj een buitenlandse kunstenaar, zijn werk was tot voor kort in de Sovjet-Unie nergens te zien.” De kunstenaars van de Russische avant-garde kunnen niet op zijn sympathie rekenen, zoals in het Westen, waar zij als slachtoffers van de communistische onderdrukking worden beschouwd. “Malevitsj geloofde in de communistische utopie. En diezelfde utopie heeft ervoor gezorgd dat mijn grootvaders in een concentratiekamp terecht kwamen. Ik wil niet zeggen dat Malevitsj ze daar naar toe heeft gestuurd, maar utopiën zijn altijd gevaarlijk, ook in de kunst.”

Uit het werk van Roiter spreekt geen geloof in een utopie, maar juist een zekere nostalgie. “Gisteren heb ik op het Waterlooplein nog allemaal oude dingen gekocht. Eenvoudige voorwerpen, een hamer, een tennisracket, een kleerhanger. Ik wil armoedige, simpele dingen magie geven.” De romantische Russische landschapsafbeeldingen die hij gebruikt verraden geen heimwee naar Rusland. “Omdat ik uit dat land afkomstig ben, gebruik ik nu eenmaal veel Russisch materiaal. Maar de vraag die ik stel is internationaal. Wat hebben we gedaan met de natuur? Om onze materiële behoeftes te bevredigen hebben we de bossen laten verdwijnen. Maar men is nog steeds niet gelukkig. Ik gebruik veel dingen die in de jaren vijftig en zestig gemaakt zijn, omdat dat de laatste decennia waren met geloof in de toekomst, in de Sovjet-Unie en in het westen. Die jaren hadden over de hele wereld dezelfde stijl, die je in alles kunt herkennen.”

Roiters werk is door zijn komst naar het westen veranderd. “Op de eerste plaats kan ik veel meer maken. Ik heb veel meer tijd en altijd materiaal ter beschikking. In Rusland moest je vaak wachten tot er materiaal was om iets te kunnen maken.” Dat kunstenaars van de overheid geld krijgen om kunst te maken, vindt hij gevaarlijk. “Ik wil geen namen noemen, maar je kunt het aan de Nederlandse kunst zien. Als je kunst wilt maken, moet je ervoor vechten. In Moskou heb ik kinderboeken geïllustreerd, ik ben portier geweest en ik werkte in een boekhandel om aan geld te komen. Als ik in het westen niet genoeg met mijn werk zou verdienen, zou ik onmiddellijk weer een baantje zoeken.”

Roiter gebruikt op zijn tekeningen en objecten nog vaak het cyrillisch schrift, maar hij droomt de laatste tijd afwisselend in het Russisch en in het Engels. “Ik praat nog maar zo weinig Russisch dat het soms lijkt alsof het een taal is die alleen ik spreek.” Het liefst zou hij afwisselend in Amsterdam, New York en Moskou wonen. “Dat lijkt me een ideale situatie: voortdurend tussen de aarde en de maan heen en weer reizen.”