WAO

De hoognodige sanering van de WAO moet, in overeenstemming met haar oorspronkelijke bedoelingen, de rechtvaardigheid herstellen.

Dat kan heel eenvoudig door onderscheid te maken tussen blijvend invaliden tengevolge van onmiskenbare ernstige onherstelbare lichamelijke of geestelijke gebreken en "voorlopig' invaliden met slecht controleerbare lichamelijk gebreken of geestelijke kwalen.

Door zulke voorlopig invaliden onder de 55 jaar slechts vijf jaar een WAO-uitkering te geven kan de "instroom' in de WAO worden beperkt en de "uitstroom" bevorderd. Niets verhindert hen aan het einde van die vijf jaar opnieuw WAO aan te vragen, maar het is goed mogelijk dat zij dan niet opnieuw worden afgekeurd. De keuringsmethoden worden voortdurend verbeterd, de keuringsarts kan inlichtingen verkrijgen over het doen en laten van de cliënt in de afgelopen vijf jaar en de cliënt kan intussen zelf weer valide zijn geworden. Dat vooruitzicht zal veel "voorlopig' invaliden prikkelen zich voor hun eigen revalidering in te spannen en naar een baan te zoeken die zij wel aankunnen.

Dit is volkomen rechtvaardig en in het belang van alle WAO-premiebetalers. Zoals het evenzeer rechtvaardig is alle bestaande WAO'ers op basis van hun afkeuringsrapporten alsnog in die twee categorieën te onderscheiden en overeenkomstig te behandelen. Dit alles behoort tot de verantwoordelijkheid van de minister van sociale zaken, en geenszins tot die van de minister van financiën.