Putschisten putten uit ruim reservoir van oude kameraden; Nieuw bewind heeft posities nog niet geconsolideerd

Het aantal Brutussen in de Sovjet-Unie is nog amper te tellen. Niet alleen Gennadi Janajev, Gorbatsjovs vice-president die eind vorig jaar nog als een soort randfiguur werd gedropt, speelt die rol. Net als de meeste andere leden van het achtkoppige comité dat gisteren de staatsgreep heeft afgekondigd, is hij een van de mannen die Gorbatsjov eind vorig jaar heeft binnengehaald in de hoop zo de orthodoxe krachten in het land te kunnen verzoenen met de perestrojka.

De putschisten gokken op “kameraden” die bereid zijn de wettig gekozen bestuurorganen her en der opzij te schuiven. Twee van de drie belangrijksten hebben zich nu al bekendgemaakt: de Moskouse partijchef Joeri Prokovjev en diens Leningradse collega Boris Gidaspov. De laatste heeft gisteren de democratisch gekozen burgemeester Anatoli Sobstjak, een der meest vooraanstaande woordvoerders van de Democratische Beweging, afgezet en daarmee openlijk partij gekozen voor de militaire staatsgreep. Sobstjak is nu ondergedoken. Prokovjev, de hoofdstedelijke partijleider die tot een jaar geleden deed alsof hij een trouw Gorbatsjov-aanhanger was en de afgelopen maanden behoedzaam ter rechter zijde ging opereren, heeft gisteren hetzelfde willen uithalen. Via de telefoon ontbood hij 's morgens de Moskouse loco-burgemeester Joeri Loezjkov om van hem “rapport” te eisen. Loezjkov, overigens ook lid van de communistische partij, weigerde, waarop Prokovjev hem zou hebben toegebeten dat hij daar nog spijt van zou krijgen.

De derde in de rij heeft gisteren nog wat slagen om de arm behouden: parlementsvoorzitter Anatoli Loekjanov, ooit studievriend en rechterhand van Gorbatsjov, thans voorzitter van de Opperste Sovjet van de Unie. Hij heeft het parlement voor aanstaande maandag bijeengeroepen in Moskou om de coup te kunnen legitimeren. Loekjanov is de man die de afgelopen maanden steeds meer naar rechts ging hellen, maar nooit echt afstand nam van de president. Hij verwierf zich in die rol het aureool van de klassieke sfinx, die zich al manipulerend een weg baande.

Maar wanneer komen deze mannen naar boven? Als de staatsgreep voet aan de grond heeft gekregen. Want dat was gisteren en vandaag nog allerminst het geval. Natuurlijk, de pers is meteen aan banden gelegd of uit de lucht gehaald. Vandaag zijn alleen de gelijkgeschakelde kranten (zoals het partij-orgaan Pravda, de vakbondskrant Troed en het legerdagblad Rode Ster) verschenen. De democratische dagbladen is onmiddellijk een verschijningverbod opgelegd. De Russische televisie verdween uit de lucht. Maar anderzijds, de telefoonlijnen met het buitenland zijn tot op heden nog altijd open. Het internationale vliegveld is evenmin gesloten. En het televisiejournaal Vremja, in handen van de ooit door Gorbatsjov zelf benoemde partijganger Leonid Kravtsjenko, liet gisteravond in een flits zelfs oppositieleider Boris Jeltsin zien, staande op een tank voor het Witte Huis waar hij en zijn Russische regering resideren. Daarbinnen draaiden de kopieerapparaten op volle toeren om het pamflet te produceren waarin Jeltsin zijn decreten tegen de putschisten en zijn eerste oproepen aan het volk om in verzet te komen kond deed.

De vraag rijst nu welke middelen de junta zal inzetten om dit verzet te breken. Gisteren heeft ze een poging gedaan om Gorbatsjov met een pistool op de borst zelf te dwingen vanaf de Krim een handtekening te zetten onder het decreet waarmee dat comité zichzelf in leven heeft geroepen. Maar die poging is kennelijk mislukt.

Geheel in de traditie van de laatste tijd heeft het Russische volk gisteren eveneens zeer behoedzaam gereageerd. Er werd gedemonstreerd, er werden barricades opgeworpen, maar in Moskou kwam het niet tot uitbarstingen van geweld. Met andere woorden: de legerleiding heeft vooralsnog geen alibi om door te drukken. Dat maakt de positie van minister van defensie maarschalk Dimitri Jazov, die onder het middenkader van de krijgsmacht toch al een lachwekkende figuur wordt gevonden, er niet minder gecompliceerd om. Jazov lijkt nu de man te zijn die de captains of industry van het militaire apparaat tevreden moet gaan stellen. De aanwezigheid van Oleg Baklanov (als vice-voorzitter van de defensieraad die dit jaar door de partij naar voren werd geschoven als opvolger van minister van buitenlandse zaken Edoeard Sjevardnadze, een vorm van pressie die Gorbatsjov toen op de valreep wist te weerstaan) in het comité wijst daar ook op.

De binnenlandse strijdkrachten zijn voor het coup-comité daarentegen wat betrouwbaarder. Zij staan formeel onder bevel van minister van binnenlandse zaken Boris Pugo, maar in feite onder het commando van zijn onderminister en Afghanistan-veteraan Boris Gromov. Hij is niet toevallig een van de ondertekenaars van een oproep vorige maand in het conservatieve dagblad Sovjetskaja Rossia waarin hij en zijn andere adherenten het leger in een openlijk appel opriep om het “moederland” te redden van de “farizeeërs”. Deze elite-eenheden van het ministerie van binnenlandse zaken zijn bovendien diep gefrustreerd. Alles wat zij de afgelopen jaren in de rebellerende republieken buiten Rusland hebben moeten aanpakken, is ondanks veel bloedvergieten mislukt.

Tegenover dit door de KGB gecoördineerde repressieve apparaat staat nu het democratische verzet. De Democratische Beweging heeft zich nu aaneengesloten rond Jeltsin, de onlangs democratisch verkozen president van Rusland (de grootste Sovjet-republiek van de Unie). Maar tot voor kort was ze onderling verdeeld en heeft daarom nimmer kans gezien enige organisatorische positie op te bouwen. Van Jeltsin hangt het nu daarom af of de Democratische Beweging dezer dagen kans ziet de rug te rechten. Als zijn oproep tot een algemene staking in de sleutelsectoren van de industrie in Rusland massaal wordt opgevolgd, komt de junta pas echt voor haar machtstest te staan.