M. Bakkerzaal: bizarre blunder

Een paar maanden geleden heeft het presidium van de Tweede Kamer besloten een ruimte in het nieuwe Kamergebouw naar het voormalig Kamerlid van wijlen de CPN, Marcus Bakker te vernoemen. Toen ik daarover de voorlichtingsdienst van de Kamer belde met de vraag of het misschien om een van de openbare toiletten of het ketelhuis van de centrale verwarming ging, antwoordde een lichtelijk verbaasde ambtenaar dat uiteraard een heuse vergaderruimte de naam van de oud-parlementariër zal dragen. Het betreft dus een onmiskenbaar eerbetoon.

Ik vind dit besluit van het Kamerpresidium een regelrechte, zij het grotendeels postume belediging aan het adres van de ruim honderdveertig Tweede Kamerleden die in de herfst van 1956 en bloc en in diepe verontwaardiging de vergaderzaal verlieten toen CPN-fractieleider Gerben Wagenaar en zijn debuterende fractiegenoot Marcus Bakker, daar het neerslaan van de Hongaarse revolutie door de Sovjet-legers stonden toe te juichen. Zelden is er in de Kamer zo'n collectieve woede-uitbarsting geweest als toen.

Ik was parlementair journalist in die dagen en herinner mij haarscherp hoe alleen de CPN'ers en de Friese PvdA-pacifist Fedde Schurer in hun banken bleven zitten. Alle anderen, onder wie de toenmalige fractieleiders Romme, Burger, Oud, Bruins Slot en Tilanus, deden precies wat het Nederlandse volk op dat moment van hen verwachtte: ze keerden de spreekbuizen van Chroesjtsjov en Boelganin demonstratief de rug toe. “Fascistische elementen, gesteund vanuit het westen, hebben van een beweging onder het volk misbruik trachten te maken om een Putsch door te voeren”, zei Bakker op 4 december 1956 in een lege Kamer, met grommende parlementariërs achter de groene gordijnen. Voor mij en velen met mij zal de naam Marcus Bakker altijd aan die dagen verbonden blijven.

Wij leven vijfendertig jaar later. Ver in de herinnering teruggezonken lijken die najaarsdagen van 1956 toen Simon Carmiggelt in Amsterdam een steen door de ruiten van De Waarheid wierp. Uit protest tegen het binnenrukken van de Russische tanks in Boedapest, maar ook uit diepe afkeer van de feitenvervalsing door De Waarheid onder verantwoordelijkheid van haar toenmalige hoofdredacteur, Marcus Bakker. Die schreef op 27 oktober 1956 over de Hongaarse verzetsstrijders: “Hopelijk zal het snel lukken met dit gespuis korte metten te maken”. Een paar dagen later werd hij door de bazen in Moskou op z'n wenken bediend. Reden waarom Evert Vermeer op 8 november in de Kamer zei: “De handen van de communisten van Nederlandse geboorte zijn met bloed bevlekt”.

Het communisme in Europa - de CPN incluis, is inmiddels aan zijn eigen leugens bezweken. In Hongarije zijn onlangs de stoffelijke resten van Imre Nagy en andere leiders van de Hongaarse opstand van 1956 met grote eer herbegraven. Er worden straten naar hen genoemd en gedenkplaten in hun huizen onthuld. Het vrije Hongarije maakt zich op voor een grootse herdenking van 1956 na vijfendertig jaar. En wat doet de Nederlandse Tweede Kamer? Die veroorlooft zich eerbetoon aan de man die destijds Imre Nagy en de zijnen betitelde als “werktuigen van het Duitse revanchisme en Amerikaanse imperialisme”.

Mij interesseren vooral de psychische bronnen waaruit zo'n absurd besluit voortvloeit. Vervreemding van de werkelijkheid en onwetendheid? Ziekelijk doorgedreven tolerantie en ontspoorde zin voor verdelende rechtvaardigheid ("elke fractie mag iemand voor vernoeming voordragen')? Welbehagen in het slagen van de eigen strategie van repressieve tolerantie, die een monstre sacré tot een parlementair succesnummer heeft weten te transformeren? Of gewoon apeliefde voor die schaarse parlementariërs die, zoals Bakker, retorisch tot iets meer in staat zijn dan het oplepelen van door fractie-assistenten in elkaar geflanste teksten?

Niemand zal ontkennen, dat Marcus Bakker een naar Nederlandse maatstaven boeiend parlementariër is geweest, in die zin dat hij een meester was in het parlementaire spel en de techniek van het vak. Maar dat rechtvaardigt op zichzelf nog geen opneming in de eregalerij van de Tweede Kamer. Er zijn integendeel redenen, en niet alleen ontleend aan het verleden, om het besluit van het Kamerpresidium zo snel mogelijk te torpederen. Tot op heden heeft Bakker het stilzwijgen bewaard over zijn eigen duistere antecedenten, zijn suspecte verbondenheid met de Godfather van het Nederlandse communisme, de sinistere Paul De Groot, over zijn aandeel (als auteur van het rapport "De CPN in oorlogstijd') in de stalinistische CPN-zuiveringen van 1958, waarbij Kamerleden als Gortzak, Lips-Odinot, Reuter en Brandsen zonder pardon uit de partij werden geschopt, enzovoorts.

Erger nog is dat Marcus Bakker zich aan geschiedvervalsing schuldig maakt. Tijdens het opheffingscongres van de CPN op 15 juni durfde hij te beweren, dat “de partij al vijfendertig jaar geleden haar verontschuldigingen aanbood voor het verdedigen van dingen die niet te verdedigen waren”. Dat is dus een grove leugen, gelet op Bakkers houding in 1956, vijfendertig jaar geleden, gelet ook op de partij-coup van De Groot-Bakker in 1958. De congresgangers van 15 juni 1991 kregen verder van hem te horen, dat de verschijningsvormen dan mogen veranderen, maar het leidend beginsel hetzelfde blijft (of iets dergelijks). Het is duidelijk: Marcus Bakker heeft van niets spijt, hangt het morele geweten van de natie uit en weet met zijn gladde praatjes de mensen (inclusief een volledig Kamerpresi dium) nog in de maling te nemen op de koop toe.

Waarom moest Willem Aantjes ook alweer weg? Omdat hij te lang over zijn eigen verleden had gezwegen. Maar Aantjes heeft tijdens de uitoefening van een politiek ambt nooit met een totalitair regime geflirt. Bakker wel. Bovendien zwijgt hij nog steeds. Als dank komt zijn naam boven een vergaderzaal in het gebouw van de volksvertegenwoordiging. De selectiviteit van het geheugen is soms bespottelijk.