Lijden en literatuur Die neue Rundschau. 1991, ...

Lijden en literatuur Die neue Rundschau. 1991, Heft 2. Uitg. S. Fischer, Hedderichstraße 114, 6000 Frankfurt am Main 70, ƒ 16,50.

Landverraad van de Besserwessie Neue deutsche Literatur, Heft 463 (nr.7). Uitgever: Aufbau-Verlag, Französischestraße 32, Berlin 1086, ƒ 13,50.

Vertroeteld door een fee Akzente, Heft 3-juni 1991. Uitg. Hanser, Kolbergerstraße 22, 1000-München 80, ƒ 10,90.

Lijden en literatuur

"Het lijden en de literatuur" is het hoofdthema van de nieuwste aflevering van Die neue Rundschau. "De Golfoorlog leek al spoedig op een spannend high-techspektakel,' schrijft de redactie in haar inleiding, daarmee bewust aansluitend op de discussie die de afgelopen maanden in Duitsland gevoerd werd over de rol van de media bij de oorlogsverlaggeving.

Door de sterk gecensureerde versie waarin beelden van de oorlog de huiskamers bereikten, drong zich vaak de vergelijking op met een tamelijk onschuldig videospelletje. Generaal Schwarzkopfs soms bijna olijke "briefings' over de zogenaamde precisiebombardementen maakten het fenomeen van de "schone oorlog' aannemelijk voor wie zijn geweten niet wilde overbelasten. Een dilemma: oorlog is nieuws en de media kunnen niet zonder.

Uit het inleidende artikel bij dit oorlogsnummer krijg je de indruk dat de redactie van Die neue Rundschau literatuur als een veredeld verlengstuk van de journalistiek beschouwt. Daar is veel tegen in te brengen, maar er lijkt de laatste jaren inderdaad sprake van een toenemend engagement onder Duitse schrijvers te zijn.

De redactie vermoedt dat aan de letterkunde is voorbehouden waarvoor journalistiek doodeenvoudig geen tijd heeft: het bewältigen van de feiten. Hiermee heeft de Duitse literatuur na de Tweede Wereldoorlog ruimschoots ervaring opgedaan, maar hoe verwerken schrijvers de oorlog in de jaren negentig? De redactie vreest dat de fantasie niet tegen de moderne oorlog opgewassen is.

Een voorpublikatie van een verhaal van Ingeborg Harms, verderop in dit nummer, lijkt deze vrees te rechtvaardigen. Harms herinnert met haar verhaal over een toneelopvoering aan de rol die CNN in het dagelijks leven ging spelen; de tweede akte van een toneelstuk kon worden onderbroken voor het zoveelste bedrijf uit dat andere drama, de Golfoorlog. Eigenlijk gaat het hierbij om een morbide vorm van "kanaalzwemmen' die op onverschilligheid duidt. In theorie klinkt het aardig, maar ik ervoer Harms' futloze proza als een voortijdige uiting van jeugdsentiment.

Veel meer indruk maakt het uit Heinrich Bölls nalatenschap afkomstige verhaal "De generaal stond op een heuvel' (1946). Böll plaatst de lezer middenin het oorlogsgeweld: “Er werd geschoten en er sloeg een bom in, een explosie, alles draaide om- en door elkaar heen, het was een regen van vuur en ijzer; de hel lachte en joelde overal, een gruwelijk zaad werd overal uitgespoten, de kille, naakte en schijnbaar zo nuchtere techniek toonde hier zijn orgiastische smoel...”

De overweging van Günter Kunert ten slotte laat geen ruimte meer voor hoop: “Wat ons bedreigt, is, om het scherp te stellen, niet de atoombom, maar veeleer ons soortspecifieke gedrag...” Tot dit soortspecifieke gedrag behoort in de eerste plaats het afbakenen van grenzen. Zo lang de mens van die behoefte niet kan afzien, schept hij vijanden.

Die neue Rundschau. 1991, Heft 2. Uitg. S. Fischer, Hedderichstraße 114, 6000 Frankfurt am Main 70, ƒ 16,50.

Landverraad van de Besserwessie

“Ik geloof niet dat onderling begrip kan groeien als we ons niet herinneren hoe verschillend wij waren en hoe wij zo verschillend geworden zijn, terwijl onze taal grotendeels dezelfde, gemeenschappelijke bleef.” Met deze woorden roept romancier Gert Heidenreich in het voormalige Oostduitse tijdschrift Neue deutsche Literatur zijn collegaschrijvers op tot een debat over de "Kulturnation".

Heidenreich, geboren in de DDR maar opgegroeid in de BRD, acht een grondige verwerking van het na-oorlogse verleden een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van een waarachtige "gesamtdeutsche" cultuur. Die is er nog lang niet en zal er ook niet komen wanneer de betweters uit het Westen, de zogenaamde Besserwessies, hun houding tegenover de burgers in het oosten niet wijzigen. Adenauer citerend omschrijft Heidenreich de westerse benadering van het oosten als "landverraad". Om het goede voorbeeld te geven speculeert Heidenreich over zijn eigen verleden, dat er heel anders zou hebben uitgezien wanneer hij in de DDR van de pen had moeten leven. Origineel is zo'n gedachtenexperiment niet; Günter Grass feliciteerde zichzelf er ooit mee dat hij niet tien jaar eerder was geboren, want dan was hij beslist een heraut van het nationaal-socialisme geworden.

Heidenreich denkt dat hij zich in de DDR niet had kunnen onttrekken aan de schizofrenie die zich zelfs van de moedigste schrijvers meester maakte. Wie kritiek leverde op het systeem zonder dat die kritiek al te manifest werd, kon zijn boeken wel gepubliceerd krijgen, daar het systeem gebaat was bij het in stand houden van zo'n "uitlaatklep". De schrijver leverde zodoende echter een bijdrage aan de cultuur van het verfoeide systeem. Tegenwoordig kan hij daarvoor door westerse critici, vaak niet de besten, op het matje geroepen worden: “Oosteuropese schrijvers die de afgelopen veertig jaar in hun eigen land zijn gepubliceerd hebben wat uit te leggen.”

Het is natuurlijk heel interessant om te kijken hoe diezelfde critici zich in de jaren zeventig opstelden tegenover geëngageerde schrijvers als Böll, Grass en Walraff, die bittere ervaringen opdeden in de, naar het heette, zo vrije cultuur van de BRD. Toen Böll destijds in een artikel in Der Spiegel pleitte voor een genuanceerde benadering van het RAF-terrorisme was de verontwaardiging groot.

Heidenreich ziet niets in een verering van het culturele erfgoed uit vroeger eeuwen. Een probleemgeval als Georg Büchner kan alleen tot het gekoesterde erfgoed gerekend worden omdat zijn oeuvre zo ondergestoft is; zijn engagement zou hem zowel in de BRD als in de DDR achter de tralies hebben gebracht.

Van de Roemeens-Duitse dichter Franz Hodjak drukt Neue deutsche Literatur een aantal gedichten af. Hodjak had erg te lijden onder de terreur in het Ceaucescu-tijdperk. Het gedicht Landverlies luidt als volgt: "het gestolen leven, God, je probeert- het in te halen. het land echter- gaat je uit de weg. in welke richting- zal je verdwalen? blijf- ook jij bij de kruising staan- en vertwijfel'.

Neue deutsche Literatur, Heft 463 (nr.7). Uitgever: Aufbau-Verlag, Französischestraße 32, Berlin 1086, ƒ 13,50.

Vertroeteld door een fee

Het tweemaandelijks verschijnende Akzente bevat een voorpublikatie van een nieuwe roman van de Tsjechisch-Duitse schrijfster Libuse Monková. Door de exotische lokatie en de absurdistische momenten doet het fragment denken aan haar odyssee-roman Die Fassade (1987), die voor een groot deel in Siberië speelde. Een internationaal gezelschap probeert ten tijde van de Koude Oorlog op Groenland tot een beter begrip van elkaar te komen.

Humor helpt, denkt een van de aanwezigen, een Tsjech, en hij vertelt zijn Amerikaanse gesprekspartner een mop over een briljante Amerikaanse geheimagent op missie in de Kaukasus. De eerste de beste herbergier doorziet zijn vermomming: “Jij bent niet iemand van ons”. De geheimagent drinkt wodka, speelt fantastisch balalajka, zegt uit zijn hoofd gedichten op in het plaatselijke dialect en put zich uit in een folkloristische dans. De herbergier trapt er niet in. “Hoe komt het dat je me doorziet?” vraagt de geheimagent. “Tja, ik weet niet, misschien omdat je zwart bent”. Op dit fragment volgt een lofrede van Sibylle Cramer aan het adres van Monková.

Interessanter is het biografische essay van Anne Gabrisch over Robert Walser. De in zijn jeugd armoedige Walser wilde op latere leeftijd graag door weldoensters vertroeteld worden. Vrouwen die die moeite voor hem over hadden beloonde hij met een rol als fee in zijn werk. De fee die Walser misschien wel het meest fascineerde was Flora Ackeret, een vrouw die haar eigen literaire ambities via Robert Walser hoopte te verwezenlijken. Toen Walser doorkreeg dat zij zich niet zo altruïstisch gedroeg als feeën plegen te doen, veranderde hij de fee in een boze heks.

Akzente, Heft 3-juni 1991. Uitg. Hanser, Kolbergerstraße 22, 1000-München 80, ƒ 10,90.