Het Rode Leger is geen monoliet

“Het leger dat nu in Moskou opereert bestaat niet alleen uit elite-troepen, maar is een dwarsdoorsnede van het Sovjet-leger”, zegt kolonel Andrew Duncan van het International Institute for Strategic Studies (IISS) in Londen.

Met open luiken en ogenschijnlijk volgens de verkeersregels voegde het Rode Leger zich gisteren in de ochtendspits van Moskou: tientallen T-80 tanks van het laatste type, maar ook oude BTR-pantserwagens; hoogwaardige pantsertroepen, speciale KGB-eenheden, de "zwarte baretten' van het ministerie van binnenlandse zaken, luchtlandingseenheden - herkenbaar aan het zwart-wit gestreepte T-shirt onder het gevechtspak - met hun BMD-voertuigen, maar vooral ook dienstplichtige soldaten in vrachtwagens.

“Dit zijn merendeels gewone soldaten, uit alle geledingen”, zegt Andrew Duncan. “Ze zijn gewend orders op te volgen, maar een tweede "Vilnius' of "Tblisi' zullen ze niet zomaar aanrichten. Misschien dat scènes als die van de soldaat die uit zijn geschutskoepel wordt getrokken hen op andere gedachten brengen, daarom zouden de Moskovieten hen misschien beter tegemoet kunnen treden met bloemen en thee.”

Aanvankelijk werden de colonnes slechts verbaasd nagestaard, maar toen duidelijk werd dat zij alle optrokken naar het politieke hart van Moskou ontstond op verschillende plaatsen een menigte, die op enkele plaatsen de pantserwagens tot stilstand dwong en de soldaten smeekte en toeschreeuwde de wapens neer te leggen, omdat het niet aanging “te schieten op het eigen volk”. Een enkele soldaat verwees naar de minister van defensie: “Dan moet je bij Jazov zijn”, maar de meesten voelden zich zichtbaar zeer ongemakkelijk.

Voor het slagen van de staatsgreep is eensgezind optreden van het Rode Leger essentieel, maar het aantal aanwijzingen groeit dat die eenheid niet volkomen is. De tanks die zich gisteren ter bescherming van Boris Jeltsin bij het Russische parlement voegden zijn daarvan een duidelijk signaal. Veelzeggender lijkt het dat onder de militairen die Jeltsin steunen sinds vannacht ook enkele luchtlandingseenheden zijn. Onder deze elite-troepen bevinden zich nauwelijks leden van de "opstandige' Sovjet-republieken, een van de redenen waarom de uiterste rechtervleugel binnen het militaire apparaat en de daarmee verbonden orthodoxe communisten juist vertrouwen op de loyaliteit van deze troepen.

Pag.2:

De partij houdt toezicht

Er zijn ook andere aanwijzingen dat het Rode Leger geen “monoliet” is. Zo acht kolonel Andrew Duncan van het IISS in Londen het een “reële mogelijkheid dat binnenkort deserties zullen optreden”, aanvankelijk op kleine schaal, maar allengs groter.

Ook voor de machtsovername zijn daarover min of meer harde gegevens bekend. Eind vorig jaar liet minister Jazov van defensie voor de televisie weten dat in dat jaar 4.000 man gedeserteerd waren en dat 2.000 soldaten in diensttijd waren overleden, waarvan 500 door zelfmoord.

Een andere maatstaf voor de dalende populariteit van het leger en het enthousiasme van doorsnee-soldaten is het aantal dienstweigeraars, dat de laatste jaren explosief is gestegen, volgens de officiële statistieken van 1.107 in 1988 tot 6.647 in 1989 en 35.000 in 1990. Vooral in de "opstandige republieken' - de Baltische staten, Georgië, Armenië, Azerbajdzjan en de Centraalaziatische republieken - komen recruten massaal niet voor hun nummer op, met Letland (25,3 procent) en Armenië (28 procent) als koploper.

Wanneer een schisma in het Rode Leger nu gestalte zou krijgen, zal dat zich aftekenen “van onderop”, zo menen verschillende militaire deskundigen. Daar immers is de sympathie voor hervormingsgezinde krachten relatief het grootst, terwijl de communistische partij vooral binnen het officierskorps sterk is vertegenwoordigd: gemiddeld driekwart van de officieren is lid en dat percentage stijgt tot bijna honderd vanaf de rang van luitenant-kolonel.

In het Sovjet-leger met een totale omvang van naar schatting vier miljoen militairen (van wie 2,5 miljoen dienstplichtigen) bevinden zich één miljoen leden van de communistische partij.

Vanaf de geboorte van de Sovjet-Unie heeft de communistische partij een grote zeggenschap in het Rode Leger gehad. Lenin bereikte die onder meer door speciale "politieke officieren' toe te voegen, die toezicht moesten houden op het officierskorps dat hij voor een belangrijk deel geërfd had van de tsaar. De veelal uit de aristocratie afkomstige officieren identificeerden zich niet onmiddellijk met de boeren- en arbeiders-strijders van het Rode Leger. Tot op de dag van vandaag maken deze politieke officieren op elk niveau deel uit van het militaire apparaat. Voorstanders van hervormingen binnen de Sovjet-Unie hebben meermalen geëist dat deze functionarissen losgemaakt worden uit het militaire apparaat. En ook binnen het leger zelf zijn stemmen opgegaan om hun rol langzaam om te vormen tot een functie die vergelijkbaar zou zijn met die van aalmoezenier in Westerse legers, maar zover is het nog niet.

Een nieuwe factor die sinds gisteren voor grote onduidelijkheid zorgt onder militaire analisten is de rol van minister Jazov van defensie, formeel de hoogste bevelhebber van het leger. Het Westen heeft hem altijd beschouwd als een verzoeningsgezind politicus, die de door Gorbatsjov voorgestane politieke hervormingen binnen de krijgsmacht in goede banen moest leiden, zonder de conservatieven tegen de schenen te schoppen. Volgens Duncan heeft het Westen hem nooit beschouwd als hard-liner; “In het verleden heeft hij enkele redelijke dingen gezegd over ontwapening, en daaraan heeft hij zich ook gehouden”, aldus de IISS-medewerker.

Zo is Jazovs naam verbonden aan de in juni 1990 bekendgemaakte plannen voor ingrijpende reducties en hervormingen binnen het Rode Leger. Staven zouden ingekrompen worden met 30 procent, sommige krijgsscholen zouden gesloten worden of moeten samengaan met andere, waardoor een capaciteitsvermindering van 30 tot 40 procent bereikt zou worden. Jazov zei toen ook dat de Sovjet-Unie zou gaan werken aan een verkorting van de dienstplicht tot anderhalf jaar.

Militaire deskundigen hebben zich echter altijd afgevraagd of dergelijke reducties ook werkelijk als een verzwakking van de strijdkrachten beschouwd moeten worden. Zo zou het aandeel van de beroepsmilitairen in het Sovjet-leger door de dienstplichtverkorting juist toenemen. En zo zijn de materiële reducties - zowel eenzijdige reducties, zoals de door Gorbatsjov in december 1988 aangekondigde inkrimping met 500.000 man, als die welke geregeld worden door internationale wapenakkoorden - juist uitgelegd als een vergroting van de efficiency, omdat op deze wijze vooral verouderde wapens van de sterkte werden afgevoerd.

Illustratief voor een mogelijk dubbelzinnige rol van Jazov is een voorval uit december 1990. Toen haalden twee radicale en spraakmakende legerofficieren - de kolonels Viktor Alksnis en Nikolaj Petroesjenko - in het openbaar krachtig uit naar president Gorbatsjov door te zeggen dat hij zich “ideologisch” uitleverde aan het Westen en “elke steun binnen het leger” verloren had. Jazov ontbood de twee en gaf ze te verstaan dat hun gedrag ongepast was. “Daaraan geven wij geen gehoor”, zouden de twee kolonels vervolgens tegen Jazov gezegd hebben. In een vraaggesprek voegde kolonel Petroesjenko daaraan toe: “Hij lachte. Want in zijn hart is hij het met ons eens”.