EG

In zijn discussie met professor Van Staden schreef J.L. Heldring in zijn column van 27 juli dat de Europese Commissie in 1965 slim dacht te zijn door invoering van meerderheidsbesluiten in de ministerraad van de Europese Gemeenschap - een gedachte waar Frankrijk fel tegen zou zijn - te koppelen aan een voor Frankrijk gunstige financiering van het landbouwbeleid.

Zo zat het niet precies. In 1965 waren meerderheidsbesluiten in de ministerraad niets nieuws. De drie EG-verdragen - vooral het Euratomverdrag - schrijven besluitvorming met gewone of gekwalificeerde meerderheid van stemmen in tal van gevallen voor. Wat Frankrijk in 1965 wilde kwam neer op een verdragswijziging, in die zin dat een land dat overstemd zou worden, een vetorecht zou verkrijgen tegen meerderheidsbesluiten, indien het eenzijdig oordeelde dat zijn intérêts vitaux door zo'n besluit wezenlijk waren geschaad. (Bij besluiten die unanimiteit vergen, speelt dit vetorecht uiteraard geen rol, want dan stemt het desbetreffende land eenvoudig tegen, waardoor geen besluit tot stand komt.)

De eerste keer dat deze zaak speelde was in 1960 of 1961, toen de Eurotomcommissie voorstelde aanzienlijke budgetgelden uit te trekken voor de ontwikkeling in Europa van een Amerikaans type reactoren. Frankrijk wilde dat dat geld voor onderzoek en ontwikkeling van Europese (lees: Franse) reactortypen zou worden aangewend. Het werd echter overstemd en het budget voor onderzoek en ontwikkeling werd bij meerderheid vastgesteld. Ik hoor nog de Franse minister van buitenlandse zaken, Couve de Murville, in de Raad verklaren dat Frankrijk niet kon toestaan dat nog ooit zijn wezenlijke belangen aldus door zijn partners zouden worden genegeerd.

Dit dreigde echter ten tweede male te geschieden bij de door Heldring vermelde landbouwzaken in 1965. Vandaar de zeven maanden durende boycot door Frankrijk van de zittingen van de ministerraad - iets waarmee overigens later ook Nederland dreigde, teneinde de toelating van Engeland tot de EG af te dwingen.