DOM VAN DER LAAN 1905 - 1991; Het ware menselijke verblijf

In "zijn' klooster Mamelis in Vaals is gisteren overleden pater Hans van der Laan, architect en benedictijn. Hij beschouwde de Renaissance als de ellende van de westerse beschaving. In zijn ogen was de barok koket geborduurde en besuikerde architectuur, het tegenovergestelde van de intens sobere, elementaire bouwkunst die hij zelf nastreefde.

Het oeuvre dat Dom - van 'dominus' - van der Laan heeft nagelaten, is niet groot. Het omvat kloostergebouwen en bijbehorende meubilering in Vaals (1968) en Waasmunster (1974), een woonhuis in Best (1982) en drie boeken waarin hij zijn architectonische theorie heeft uiteengezet.

Dom van der Laan studeerde in de jaren twintig bouwkunde in Delft, waar Granpré Molière een van zijn leermeesters was. De vader van de Delftse School kon hem echter geen bevredigend antwoord geven op brandende vragen over het wezen van de bouwkunst en de essentie van de ruimte, dus besloot Van der Laan zelf op zoek te gaan. In 1927 trad hij toe tot de Orde van de Benedictijnen en trok hij in het klooster van Oosterhout. Een benedictijner monnik heeft in de kloostergemeenschap ook een praktische taak en Van der Laan werd betrokken bij allerlei bouwactiviteiten omdat hij nu eenmaal architectuur had gestudeerd.

Direct na de oorlog moesten er veel kerken worden gebouwd en Dom van der Laan begon samen met zijn broer Nico van der Laan, ook architect, een cursus kerkelijke architectuur in 'sHertogenbosch. Deze lessen kregen een sterk algemeen architectuur-filosofisch karakter en richtten zich vooral op "de kenmerken van het ware menselijke verblijf'. Het boek De architectonische ruimte (1977) is een in vijftien lessen vervat neerslag van de invloedrijke cursus, waarin ook de grondslagen van Van der Laans ontwerptheorie zijn terug te vinden.

In 1982 werd ik persoonlijk door Dom Hans van der Laan rondgeleid door de weldadig ingetogen, maar toch monumentale Abdijkerk op de Sint Benedictusberg bij Vaals. De architect-monnik, klein en broos, ondanks het wijdvallende zwarte habijt, gaf zelf commentaar op een fluistertoon. In de crypte luidde zijn tekst: “Weldadig hé, die soberheid. beton en baksteen. Iedereen zei: dat gaat galmen, dat kan niet anders. Maar niets daarvan. Als de architectuur goed is, is het geluid, de akoestiek ook goed. Ik zeg altijd, ga maar eens biljarten op een rond biljart, dan weet je nooit waar de bal blijft. Ik kan u wel verzekeren dat je je hart vasthoudt, wanneer je met de bouw van zoiets als deze kerk begint. Steeds maar weer de vraag of het niet een beetje hoger of lager moet. Zo zonder voorbeeld bouwen, doet niemand.”

Het enige woonhuis dat Dom van der Laan ontwierp, staat in Best en is, heel Romeins, om een binnenhof gebouwd. Al zijn maat- en ruimte-opvattingen kunnen in dit huis worden teruggevonden. Het ware menselijke verblijf. In zijn boek De architectonische ruimte geeft Dom van der Laan al in het eerste hoofdstuk de meest frappante illustratie van 'het binoom' architect-monnik. De parabel van de sandaal: “De grond is te hard voor onze blote voeten en daarom binden we ons sandalen onder, eigen gemaakte zolen van zachter materiaal dan de grond, maar steviger dan onze voeten. Waren zij even hard als de grond, wij zouden er geen voordeel van hebben; waren zij even zacht als onze voeten, zij zouden even vlug versleten zijn. Door middel echter van deze met zorg gekozen zolen komt de harmonie, de overeenstemming tot stand tussen onze tere voeten en de ruwe grond. Bij het huis gaat het niet slechts om het contact van de voet met de grond, maar om de ontmoeting van ons hele bestaan met de volledige natuurlijke omgeving. De sandaal hecht zich aan de voet om het lichaam te voltooien en in staat te stellen de harde grond te verdragen. Het huis daarentegen moeten wij beschouwen als een toevoeging aan de natuur, een voltooiing van de natuurlijke ruimte om deze voor ons bewoonbaar te maken.” Deze parabel is Dom Hans van der Laan ten voeten uit.