Deregulering in VS nekt Fokker

ROTTERDAM, 20 AUG. Toen Fokker in de jaren tachtig ambitieuze plannen lanceerde om tegelijkertijd twee nieuwe vliegtuigen, de types 50 en 100, te lanceren, gingen in het bedrijf stemmen op om het wat kalmer aan te doen. Waarom niet op veilig spelen en alle energie concentreren op de Fokker 50, een tweemotorige turboprop? Zou die niet automatisch het succes erven van zijn fameuze voorganger, de F-27 "Friendship', waarvan er in de jaren zeventig tegen de achthonderd werden verkocht?

Het kan verkeren. Want uit de halfjaarcijfers die Fokker vorige week presenteerde, blijkt dat er voor minstens drie jaar werk is op de produktielijn van de Fokker 100 op Schiphol, terwijl de produktie van de Fokker 50 door gebrek aan orders binnen een jaar dreigt stil te vallen. Van dit toestel zijn er inmiddels 116 afgeleverd, lopen er nog vaste orders voor vijftien exemplaren en bestaan er opties op nog eens vijftien. Dat mag bij de huidige jaarproduktie van 33 Fokker 50's geen zonnige situatie heten.

Aan de kwaliteit van het toestel kan het niet liggen. Het is in de technische vakpers omstandig geprezen en wie er in heeft gevlogen, weet hoe opvallend geluidsarm het voor een propellorvliegtuig is. Het Britse Dowty, de fabrikant van de zesbladige propellor van de Fokker 50, ontving afgelopen april voor dit produkt zelfs de Queen's Award for Technology. Bij Fokker ziet men het vliegtuig dan ook graag omschreven als "de Mercedes onder de vijftigzitters'. Maar dat blijkt tevens het probleem.

De Fokker 50 is in vergelijking met de concurrentie te duur. Voor de "50' geldt een standaardprijs van elf miljoen dollar. De naaste concurrent, de Frans-Italiaanse ATR-42, gaat voor 2,5 miljoen dollar minder de deur uit. Daar gaan zes tot acht passagiers minder in en Fokker-techneuten spreken geringschattend over een "rammelkast'. Feit blijft dat er van de ATR-42 al tegen de driehonderd zijn verkocht, óók in de Verenigde Staten waar nog geen enkele Fokker 50 vliegt. Daar komt bij dat er nu ook nog een wat grotere ATR-72 in de aanbieding is.

Een Fokker-zegsman: “Wij zijn een beursgenoteerde onderneming die bepaalde prijzen moet maken. Als je de ATR-prijzen bekijkt, is maar één conclusie mogelijk: daar wordt door Parijs en Rome fors geld bijgelegd”.

Verder kampt Fokker op de strategisch belangrijke Noordamerikaanse markt met de concurrentie van de Dash-8 van Boeing de Havilland. Daarvan zijn er intussen 388 verkocht en 278 afgeleverd. Ook dat is een "kist" die volgens kenners technisch de mindere is van de Fokker-50.

In zekere zin mag de Amsterdamse firma zich slachtoffer noemen van de recente deregulering van de Amerikaanse burgerluchtvaart. Dat maakt de concurrentie daar zó moordend, dat maatschappijen minder gevoelig zijn geworden voor kwaliteit en al snel het goedkoopste vliegtuig kopen onder het motto: als het maar vliegt. In Europa, waar de vliegtuigbouwer met zijn Fokker 50 nog het best scoorde, geldt toch vaker: als het maar goed vliegt.

Tot slot gaat de Fokker 50 gebukt onder "concurrentie' uit eigen nest. Van de oude F-27 vliegen er immers nog zo'n vijf- á zeshonderd rond. “Wij zouden wensen dat die dingen sneller en bij ons werden ingeruild”, klaagt men bij Fokker, “maar ze zijn nog zo verdomd goed.”

Intussen spreekt Fokkers nieuwe financiële directeur R. Hendriksen over een speciale "task force' die met verdubbelde energie en verregaande "finance engineering' dit jaar alsnog twintig Fokkers 50 moet zien te slijten. Daarbij wordt onder meer gedacht aan vernuftige lange termijn-leasecontracten en het aanbieden van "instapmodellen' zonder franje tegen lagere prijzen. De employé's aan de Fokker 50-produktieklijn op Schiphol zullen hopen dat Hendriksen gelijk krijgt.