De zuigkracht van een sociale mammoetwet

De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) trad op 1 juli 1967 in werking. Ze verving de ongevallenwet 1901, herzien in 1921), de invaliditeitswet (1913), de zeeongevallenwet, de land- en tuinbouwongevallenwet (1922) en de mijnwerkersinvaliditeitswet (1933). Daarom werd de WAO wel de sociale mammoetwet genoemd.

De WAO verzekert werknemers die langer dan een jaar geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn van een (loonvervangende) uitkering. Die is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en van de hoogte van het loon dat gezonde personen met vergelijkbare opleiding en ervaring doorgaans verdienen.

Op 1 oktober 1976 trad de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) in werking. Deze volksverzekering geeft iedere ingezetene (met uitzondering van gehuwde vrouwen zonder 'arbeidsverleden') die langer dan een jaar geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is vanaf 18 jaar recht op een uitkering (op het niveau van het sociale minimum). Door de invoering van de AAW veranderde de WAO in een uitkering met aanvullend karakter ten opzichte van de AAW.

De WAO is verschillende keren aangepast. De belangrijkste wijzigingen werden in 1987 bij de herziening van het sociale zekerheidsstelsel doorgevoerd. Toen werd de maximum-uitkering verlaagd van 80 naar 70 procent van het gederfde loon. Bovendien werd het 'verdisconteringsartikel' geschrapt. Dit artikel werd vanaf 1973 als volgt uitgelegd: wanneer een (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte er niet in slaagde werk te vinden, werd dit gezien als een gevolg van de handicap en werd hij - wegens het ontbreken van de mogelijkheid zijn 'resterende verdiencapaciteit' te gelde te maken - volledig arbeidsongeschikt verklaard. Bij de stijgende werkloosheid had deze interpretaie tot gevolg dat vrijwel iedere WAO'er volledig arbeidsongeschikt werd verklaard. “Hoewel herplaatsing altijd een doel is geweest van de wet, is dit doel onder invloed van de arbeidsmarktomstandigeden en de interpretatie van het verdisconteringsartikel in de periode 1973-1987 volledig uit beeld verdwenen”, concludeert WAO-onderzoeker dr. R.J. van der Veen in zijn dissertatie (mei 1990).

De WAO oefende van begin af aan een grote zuigkracht uit. Bij haar introductie werd verwacht dat het beroep op de wet zich vanaf 1970 zou stabiliseren op ongeveer 200.000 'uitkeringsjaren'. In dat jaar werd dit aantal inderdaad bereikt, maar daarna steeg het door via 312.000 in 1975, 608.000 in 1980 en 698.000 in 1985 tot 792.000 eind vorig jaar. Bij ongewijzigd beleid loopt dit aantal in de prognoses van het kabinet verder op tot 885.000 uitkeringsjaren eind 1994. Daaruit blijkt dat de verwachte trendbreuk na de ingrepen uit 1987 uitblijft.

Ook in andere landen is de afgelopen decennia het beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen fors gestegen, maar in Nederland was de groei veel sterker (met name onder 55-plussers en mensen met psychische klachten). De WAO-onderzoekers dr. L.J.M. Aarts en Ph.R. de Jong geven daavoor in hun proefschrift (november 1990) drie redenen. In Nederland valt de hele beroepsbevolking onder de WAO, terwijl elders alleen bepaalde segmenten van de beroepsbevolking onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering vallen. Verder kent de WAO Nederlandse geen onderscheid naar oorzaak van arbeidsongeschiktheid, terwijl in het buitenland soortgelijke regelingen meestal blijven voorbehouden aan werknemers met beroepsziekten. En tenslotte hanteert Nederland een relatief lage "toetredingsdrempel' tot de WAO, die in combinatie met de genoemde "verdiscontering' van de kans op werk het beroep op de regeling stimuleerde.