Coup vertoont parallel met machtsgreep van Jaruzelski

Voor één novum in de geschiedenis van het regerende socialisme heeft de achtmansjunta in Moskou gisteren in elk geval gezorgd: voor het eerst sinds ergens in Europa het socialisme aan de macht kwam is een hoogste leider ten val gebracht en tegelijkertijd partijchef gebleven. Formeel immers is Michail Gorbatsjov gisteren alleen als president van de Sovjet-Unie afgezet en heeft hij zijn functie van secretaris-generaal van de communistische partij behouden.

Even formeel kòn het "staatscomité voor de noodtoestand' Gorbatsjov ook niet als partijleider afzetten: dat kan alleen het Centraal Comité dat nog helemaal niet bijeen is geweest.

Voor de krachtsverhoudingen heeft het natuurlijk niet veel te betekenen: de val van Gorbatsjov is er niet minder reëel door en het is een kwestie van tijd voor het Centraal Comité bijeen wordt geroepen om een nieuwe secretaris-generaal te kiezen; een man wiens gezondheid het niet toelaat als president te fungeren kan ook geen secretaris-generaal van de partij meer zijn.

Dat de "staatscoup' tegen Gorbatsjov gisteren niettemin resulteerde in zijn val is tekenend voor de situatie waarin hij de Sovjet-Unie de afgelopen zes jaar heeft gebracht: door hem als president af te zetten en in alle mooi klinkende resoluties en verklaringen met geen woord te spreken over de partij of over Gorbatsjovs partijfuncties, heeft de achtmansjunta gisteren stilzwijgend erkend dat die partij er weinig meer toe doet. En dat is bij alle tragiek een ironische noot: de communistische dogmatici hebben de facto toegegeven dat de werkelijke macht niet langer bij de partij berust maar in handen van de staat is overgegaan.

De val van Gorbatsjov heeft überhaupt maar weinig historische parallellen. Partijleiders zijn er genoeg ten val gebracht: Gomulka, Gierek, Kania, Ulbricht, Novotný, Dubcek, Rákosi, Kádár en Tsjervenkov zijn partijchefs die vóór het revolutiejaar 1989, toen al hun opvolgers verdwenen, aan de kant werden gezet. In de meeste gevallen verdwenen de genoemde leiders van het toneel wegens veranderingen in Moskou (de destalinisatie bijvoorbeeld), op last van Moskou of wegens grove fouten, onvoorziene opstanden of verkeerde inschattingen. Dit laatste aspect speelt een rol bij de val van Gorbatsjov, in de zin namelijk dat de huidige leiding duidelijk van mening is dat hij incapabel is bij het bezweren van de geest die vrijkwam toen hij zelf in en na 1895 de doos van Pandora opende.

Gorbatsjovs val doet nog het meest denken aan die van Nikita Chroesjtsjov, een hervormer net als Gorbatsjov die in 1964, ook in zijn afwezigheid en ook om “gezondheidsredenen”, door het conservatieve trio Brezjnev, Kosygin en Podgorny aan de kant werd gezet. Die greep naar de macht werd het begin van achttien jaar van conservatisme, een periode die de afgelopen jaren in de Sovjet-Unie bekend is geworden als die van van de stagnatie. Achttien jaar - het belooft weinig goeds. Al is het uiterst onwaarschijnlijk dat de bonapartisen en dogmatici die nu de scepter zwaaien het jaren uithouden.

Een tweede parallel is de coup van generaal Wojciech Jaruzelski in de nacht van 12 op 13 december 1981 in Polen. Daarbij sneuvelde weliswaar niet een chef, maar de democratie zelf, en de vrije vakbond Solidariteit. Toch is die laatste parallel wellicht het meest interessant omdat de toekomst van de Sovjet-Unie wel eens op sommige punten overeenkomsten kan gaan vertonen met de periode van na 1981 in Polen. Er zijn natuurlijk veel verschillen: de staatsgreep van Jaruzelski was een loepzuivere militaire coup, waarbij louter generaals (wier chef ook ten tijde van de coup premier en partijleider was) de macht kregen - terwijl in de Sovjet-Unie het regerende "staatscomité voor de noodtoestand' bestaat uit militairen, aangevuld met conservatieve politici als Janajev en Pavlov en even conservatieve centralisten als de voorzitter van de vereniging van staatsbedrijven.

Het interessante schuilt in de waarschijnlijk overeenkomstige doelstellingen van Jaruzelski toen en de nieuwe Sovjet-leiding nu. Van 1981 tot de herfst van 1988, toen hij eindelijk overstag ging, heeft Jaruzelski gehoopt het economische systeem in Polen te hervormen zonder het monolithische politieke systeem in essentie aan te tasten. Eerst sloot hij zijn critici op. Vervolgens liet hij hen vrij met de dringende boodschap dat alleen een nationale verzoening Polen op het rechte spoor kon krijgen. Daartoe werden allerlei "consultatieve raden' (met een paar critici), nieuwe vakbonden, overkoepelende massa-organisaties en andere pseudo-vertegenwoordigende lichamen opgericht. De economische vrijheid en een reeks burgerlijke vrijheden (de reis- en de persvrijheidvrijheid bijvoorbeeld) werden geleidelijk en voorzichtig uitgebreid, politieke gevangenen kwamen even geleidelijk vrij. Dit alles in de hoop dat de Polen hun boosheid over de coup van december 1981 zouden inslikken, eieren voor hun geld zouden kiezen en zouden meewerken.

Pas eind 1988 accepteerde de generaal dat ze dat niet deden en ook niet zouden doen: toen hem duidelijk werd dat het geen zin heeft economisch en sociaal te decentraliseren en te hervormen zonder dat proces te paren aan politieke decentralisatie en politieke hervormingen legde hij het hoofd in de schoot en stemde hij in met een èchte dialoog: het ronde tafelgesprek.

Het heeft er alle schijn van dat de nieuwe machthebbers in de Sovjet-Unie iets soortgelijks in de zin hebben. Het hervormingsbeleid van Gorbatsjov wordt doorgezet, zo beloofden ze gisteren. Die mededeling moet vooral worden gezien tegen het licht van gevreesde politieke en vooral economische strafmaatregelen van het Westen. Werkelijke waarde heeft de bewering niet; daarvoor staat de achtergrond van de acht leden van het nieuwe comité borg. In economie en politiek wordt de macht van het centrum - Moskou - hersteld; dat alleen al is lijnrecht in strijd met de perestrojka. Hetzelfde geldt voor de onverhulde dreigementen aan het adres van alle partijen, massa-organisaties, republieken en media die op het onzalige idee zouden komen zich tegen de nieuwe orde te verzetten - dreigementen die op het ogenblik met name de democratisch gekozen leiders van Rusland, de Baltische landen, Moldavië, Georgië en Armenië zich moeten aantrekken.

Vermoedelijk staat de nieuwe leiding eenzelfde soort scenario voor ogen als in 1981 Jaruzelski: de decentralisatie en de democratisering verdwijnen, de discipline wordt op elk terrein van de samenleving hersteld (liefst zonder, zonodig met geweld), het centrum - Moskou, de nieuwe junta - krijgt weer alle draden in handen. En vervolgens wordt de economie hervormd, aangepast, heel voorzichtig en door het centrum begeleid met economische en een paar politieke concessies of pseudo-concessies. De perestrojka, met andere woorden, wordt beroofd van haar democratische, "anarchistische' element en wordt tegelijkertijd in de economie aanzienlijk vertraagd. Kortom: de Sovjet-Unie gaat netjes, gecontroleerd en stevig begeleid de volgende eeuw tegemoet.

Dat het scenario niet kan werken hoeft niet te worden aangetoond: het is al aangetoond, en als Pavlov en Janajev en de zijnen generaal Jaruzelski zouden bellen zou die daarover wat interessante details kunnen verschaffen. Het scenario kan niet werken omdat hervormingen ondeelbaar zijn: in de jaren tachtig is in Polen (en in zekere zin ook in Hongarije, en in een andere zin ook in Tsjechoslowakije) aangetoond dat een bewind niet in staat is de economie te hervormen en tegelijkertijd politiek alles bij het oude te laten. Het is niet mogelijk de economie te decentraliseren binnen een monolithisch en gecentraliseerd politiek systeem. Hervormen en een dictatuur gaan niet samen. Met andere woorden: de dagen van de junta lijken al bij voorbaat geteld.