Albanië: een nieuwe partij, met oude leden

TIRANA, 20 AUG. “De Albanese socialistische partij is van de berg Olympus afgedaald. De oppositie zegt: het is alleen maar buitenkant, het is kosmetisch en niet meer. Dat is niet waar. We zijn een nieuwe partij, met nieuwe doelen en een nieuwe leiding.”

Spiro Dede zegt het met een beminnelijke glimlach. Hij is een beminnelijk man, klein, beweeglijk, energiek. Voor veel Albanese ex-communisten, volgelingen van wijlen Enver Hoxha, is hij nog iets anders: een steen des aanstoots, een verrader zelfs, een revisionist.

Twee maanden geleden verdween Enver Hoxha's Partij van de Arbeid: de laatste stalinistische regeringspartij ging overstag, ging zich socialistisch noemen en mat zich een nieuwe leiding aan. De debatten waren nog stormachtig, er was sprake van scheldpartijen tussen stalinisten en hervormers, maar de nieuwe leiding die uiteindelijk werd gekozen bestond uitsluitend uit nieuwlichters: hervormingsgezinde jongeren. Fatos Nano, econoom en premier van de overgangsregering na de verkiezingen van maart, werd partijchef. Spiro Dede, de ideoloog van de transformatie, vorig jaar razendsnel opgeklommen binnen de partij, werd vice-voorzitter. Niet tot ieders genoegen: nog dagelijks krijgt Dede wilde beschuldigingen uit de stalinistische achterban naar het hoofd.

De nieuwe partij, zegt hij, in het hoofdkwartier van de oude èn de nieuwe partij waar veel gewone Albanese burgers ook nu nog niet naar binnen zouden durven, heeft alle heilige dogma's overboord gezet. “Het programma heeft niets meer gemeen met dat van de oude partij: geen klassenstrijd, geen dictatuur van het proletariaat, geen arbeidersklasse die de macht moet hebben. Je moet dat niet onderschatten. Dit land was anders dan de andere landen in Oost-Europa. Mensen zijn hier vanaf hun jeugd doordrenkt met klassenstrijd en ideologie.”

En over ideologie hebben we het niet meer, zegt Dede: “We hebben het nog wel over idealen: over pluralisme, over mensenrechten, over de concurrentie tussen idealen en eigendomsvormen.” Het is een transformatie die in een zo rigoureus geïndoctrineerd land moeizaam verloopt: bijna vijftig jaar lang is de Albanees vanaf de kleuterschool doodgegooid met ideologie. “Het is onze moeilijkste taak”, zegt Dede, “maar we hebben niet voor niets twaalf maanden aan het programma gewerkt, alles moest worden uitgelegd, fouten moesten worden erkend, argumenten moesten worden toegelicht. De leden reageerden vreselijk geschokt. Waarom leveren we onze idealen in, vroegen ze. Ik heb gezegd: kijk maar eens naar de werkelijkheid in Albanië, kijk naar wat voor crisis het marxisme ons heeft geleid.” De meeste leden, zegt hij, hebben dat nu wel geaccepteerd.

Dat hij nog altijd de kop van jut van de stalinisten is doet hem niets, verzekert hij. “Ik zoek ze op. Ik vraag dan: hebben we fouten gemaakt of niet? Dat geven ze toe. Nou, maak die gedachte dan af, zeg ik. Is het goed dat we, als we een leider wegzuiverden, hem meteen met zijn hele familie vijftien jaar opsloten, met zijn vrouw, zijn kinderen, zijn neven en nichten? Dàt was onze klassenstrijd, zeg ik dan.”

Dat achterhoedegevecht is wel te overzien, zegt Dede. “Oude dogma's werden toch al niet geloofd. Wat bij ons gold, was eerder de trouw aan de leiders: zij moesten ze antwoorden geven, zij wisten alles. Het was een religie. De partij had van zichzelf een god gemaakt.”

Een nieuwe partij? Het wil er bij velen in Albanië niet in, ook niet nu veel verandert, nu wordt hervormd. In maart wonnen de communisten de verkiezingen, dank zij de angst van de plattelander voor veranderingen en de manipulatie van de communistische nomenklatoera. Sinds twee maanden is er een coalitieregering waarin de socialisten belangrijke plaatsen hebben ingeruimd voor alle bestaande oppositiepartijen. Maar velen geloven nog niet erg in de transformatie van de partij: Albanië, zo vinden velen, wordt nog altijd door communisten geregeerd.

De partij is niet geheel op eigen kracht van de berg Olympus afgekomen: haar prestige, nog vorig jaar bijna onaantastbaar, is verdwenen in de golf van grote en kleine onthullingen die Albanië heeft overspoeld toen de sluizen van de persvrijheid opengingen. Toen na decennia de wachtposten verdwenen aan de toegangen tot de straat waar Enver Hoxha woonde, konden de inwoners van Tirana zelf zien hoe de altijd om zijn bescheidenheid geprezen heilige stichter van de Albanese onafhankelijkheid woonde: in een meer dan kolossaal huis, geheel omgeven door een weelderige tuin. Men heeft er, verbaasd en beledigd, dit jaar 29 kleurentelevisietoestellen en tientallen telefoons en liefst drieduizend vierkante meter tapijt naar buiten gedragen. Het démasqué van Hoxha is totaal: zijn standbeelden zijn van hun sokkels gehaald, de verheerlijkende schilderijen zijn uit de musea verdwenen en vorige week werd zelfs het laatste standbeeld, dat in zijn geboortestad Gjirokastër, aangevallen door boze inwoners die zijn handen rood verfden en zich pas lieten verspreiden toen de burgemeester beloofde dat ook dit beeld verdwijnt.

Het regent onthullingen. Oude collega's van Hoxha, in de jaren vijftig ten val gebracht en toevallig niet geëxecuteerd, zijn na tientallen jaren uit de kampen te voorschijn gekomen en hebben verteld van de "menslievendheid' en "bescheidenheid' van de partijtop. Regeringscommissies hebben kond gedaan van het speciale bureau waar zeshonderd mensen zich tientallen jaren uitsluitend hebben beziggehouden met het organiseren van luxe - buitenlandse reizen, medische behandelingen in Parijs, vakantiehuizen, dure spullen - voor de 26 topfamilies die Albanië bestuurden. Terwijl Albanië op een spartaans rantsoen moest zien rond te komen, leidden die 26 families een luxe leventje.

Het is allemaal waar, zegt Spiro Dede, als hij zijn gasten naar goed-Albanees gebruik door de lange gangen van het partijhoofdkwartier naar de straat brengt. Het is allemaal waar, en het komt onze geloofwaardigheid niet ten goede. “We hebben te lang gewacht. We hadden veel eerder moeten zeggen dat de tijd van het communisme voorbij is en dat Albanië niet kan worden geregeerd door één partij, en zeker niet door een die dat al sinds 1944 doet.” Misschien, zegt Spiro Dede, wordt onze geloofwaardigheid pas hersteld als we ons terugtrekken en in de oppositie gaan. Daar wordt in de partij veel over gepraat.

Als de socialistische partij alleen uit Spiro Dede zou bestaan, zou het met haar geloofwaardigheid wel meevallen, zeggen aanhangers van de oppositie, die in Albanië vooral is geconcentreerd in de Democratische Partij: hij wordt wel vertrouwd. Zelfs voorzitter Fatos Nano wordt wel vertrouwd, al was hij een beschermeling van Nexhmije Hoxha, de Zwarte Weduwe, de aanvoerster van de conservatieven, en al had hij als gerespecteerd econoom ook beter econoom kunnen blijven en niet in de politiek kunnen gaan. Maar waar men in Albanië vooral aanstoot aan neemt, is dat de nieuwe socialistische partij alle leden van de oude communistische Partij van de Arbeid heeft overgenomen: er is geen zuivering geweest.

Het wantrouwen tegen de Socialistische Partij bestaat ook in eigen kring. “Het parlement bestaat uit eerlijke mensen, maar driekwart van hen is idioot”, zegt Dritëro Agolli, schrijver en lid van het partijbestuur van de socialisten. “Dat geldt voor de socialisten, maar ook voor de andere partijen. Er is veel intolerantie. Er wordt nog steeds oorlog gevoerd, de klassenstrijd is nog niet voorbij.”

Er bestaat democratie, in Albanië: “Onze gedachten zijn ontdooid”, zegt Agolli. “Maar wat democratie is, is veel Albanezen onduidelijk: voor velen is het anarchie, diefstal. Dat democratie een vorm van beschaving is, weten de Albanezen nog niet - hoe zouden ze ook aan die kennis moeten komen? Binnen de politieke partijen is dat al niet anders. Elke partij moet worden hervormd. Onze partijen hebben dezelfde achtergrond. Ze zijn broden van hetzelfde meel.” Hij vertrouwt erop dat de socialisten, de ex-communisten, zich alsnog zuiveren: “Er wordt gesproken over de vorming van twee nieuwe partijen van stalinistische signatuur: een Communistische Partij en een Ware Partij van de Arbeid. Dat zou de situatie verhelderen. Wie dan bij ons blijft wil echt een ander Albanië”.

Luttele maanden na de val van het socialisme is niet alleen het vertrouwen in de partij van Dede en Agolli, maar dat in de hele politiek verdwenen. “Vroeger hadden we een politburo met dertien leden, nu hebben we een politburo met 250 leden, en dat noemen we een parlement”, zegt Pëllumb Bataj, politiek redacteur van het dagblad Bashkimi. “De socialistische partij kan niet worden hervormd. De tong wil wel, maar de geest niet. In Albanië zeggen we: fietsen, naar de hoer gaan en stelen leer je niet als je oud bent. De socialisten leren de democratie niet zomaar, na al die jaren.” En dat geldt ook voor de oppositie, zij hebben, zegt ook Bataj, met de socialisten hun uniforme stalinistische achtergrond gemeen en ze zijn al net zulke carrièristen. “Er loopt in Albanië niet één fatsoenlijke politicus rond. En ik ken ze, het zijn mijn vrienden. Een jaar democratie heeft nog niets opgeleverd en de vertrouwenscrisis groeit nog. We staan voor een burgeroorlog. Vandaag zitten de Albanezen nog in cafés over politiek te praten. Morgen hebben ze wapens”, zegt Bataj

Een jaar hervormingen hebben evenmin iets opgeleverd, zegt hij: “Er zijn zakenlieden, maar privé wordt hier hooguit een kop koffie verkocht, meer niet. De multinationals laten zich niet zien. Wie zich wel laten zien zijn zakenlieden die niet komen om Albanië op te bouwen, maar om het op te kopen. We worden de indianen van Europa. Eerlijk zakendoen? Je kunt geen eerlijk zaken doen met mensen die verdrinken. Mensen die verdrinken slepen hun redder mee de diepte in.”

Dr. Sali Berisha is leider van de Democratische Partij, 's lands beste hartchirurg . Hij kent Batajs visie: hij is een vriend van Bataj, en trouwens, je hoort in Albanië niet anders. Hij beklaagt zich over de socialisten. Het parlement, zegt hij, maakt goede wetten, maar alleen maar omdat wij de socialisten dreigen met weglopen als ze niet meewerken: “De socialisten zelf zijn alleen in staat Russische of Chinese wetten op te stellen”.

De Democraten zijn vertegenwoordigd in de regering, ze hebben daar zelfs alle economische portefeuilles in handen, maar ze beschouwen zich nog altijd als oppositie, zegt Berisha. “En ook als oppositie hebben we al heel wat bereikt: we hebben beloofd het land te privatiseren - dat hebben we voor elkaar gekregen. We hebben beloofd Albanië de weg naar Europa op te krijgen - dat hebben we ook gedaan. We hebben beloofd dat we het Albanese beleid in de nationale kwestie (Kosovo, red.) veranderen. Ook dat is gelukt.” Maar het gaat langzaam, geeft hij toe, en de stemming verslechtert en de schaarsten worden nijpend. “Je kunt de economie niet veranderen zonder eerst de politiek te veranderen. Dit is een land zonder wetten. De wetten die er komen, zijn goed, maar het gaat langzaam. Hier heersen nog de communisten. Dede is een goede man, maar hij moet moediger zijn, hij moet zijn spierballen laten zien. Er zijn wel goede mensen onder de socialisten”, zegt Sali Berisha. “Maar weinig. De meeste socialisten zijn stalinisten. Stalinisten en Enveristen.”

Foto: Straatbeeld in Tirana. Het kost moeite, zegt Spiro Dede, leider van de socialistische partij en kop van jut van de stalinisten in degen dat het roer om moet. (Foto's Peter Michielsen)