Aankoop van gebouwen is oude wens hogescholen; Helft van gebouwen wordt eigendom van beroepsonderwijs

ROTTERDAM, 20 AUG. Vele jaren was de Hogeschool Haarlem kwijt voordat alle bureaucratische hobbels waren genomen en zij van de minister van onderwijs haar ruimtegebrek mocht gaan verhelpen.

De nieuwbouw is nu vrijwel klaar, maar de belastingbetaler was veel minder geld kwijt geweest als was gekozen voor een noodgebouw of het verbouwen van de zolderruimte - oplossingen die het hogeschoolbestuur eerder voorstelde. De faculteit zou dan ook veel sneller uit de problemen zijn geweest.

Maar deze beide voorstellen voldeden niet aan de voorschriften van de minister van onderwijs. Meer dan twee jaar duurde het telkens voordat de minister over een voorstel zijn veto uitsprak. Het werd uiteindelijk de miljoenen guldens duurdere nieuwbouw, waar de hogeschool achteraf toch ook tevreden over is.

Na 1 januari 1993 zal dat anders gaan. Volgens voorzitter H.A.J. Kemner van de HBO-Raad kan een hogeschool dan zelf bepalen hoe zij wil worden gehuisvest. Of ze wil verbouwen, huren of toch een nieuw gebouw wil neerzetten. Die vrijheid zal veel eerder tot de beste oplossing leiden dan wanneer de beslissing aan de centrale overheid moet worden overgelaten, meent hij.

De hogescholen zijn het met minister Ritzen (onderwijs) onlangs eens geworden over de aankoop van ruim 350 gebouwen die nu nog eigendom zijn van het rijk. Ruim twee jaar hebben de hogescholen daar op aangedrongen bij het ministerie. Het was hun eigen idee: de hogescholen, die al enkele jaren bezig zijn met het uitvoeren van grootscheepse fusies, konden al lang niet meer uit de voeten met de regels. De bureaucratie maakte het ze onmogelijk hun huisvesting snel en adequaat aan te passen aan de veranderde omstandigheden, terwijl veel besturen het onderbrengen van de nieuwe hogescholen in een beperkt aantal gebouwen juist tot een voorwaarde rekenen om een fusieproces te kunnen afronden.

Een vergaande versoepeling van de regelgeving in plaats van de verkoop van gebouwen had de hogescholen wel een eind op weg kunnen helpen, zegt Kemner, maar was toch onvoldoende geweest. “De minister zou verantwoordelijk blijven voor de besteding van het huisvestingsbudget en daarvoor allerlei centrale regels moeten hanteren. Bovendien heeft hij eenvoudigweg niet voldoende geld om alle noodzakelijke nieuwbouw de komende jaren te financieren.”

Kemner meent dat een centrale overheid de huisvesting voor het onderwijs “bijna per definitie niet optimaal” kan regelen. “De overheid werkt met centraal bepaalde normen die geen recht doen aan de specifieke problemen van elke school. Door de verantwoordelijkheid bij de hogescholen zelf te leggen kan dat wel. Dan kan huisvesting gekozen worden die past bij het onderwijsbeleid.”

Door de 350 gebouwen aan te kopen worden de hogescholen eigenaar van ongeveer de helft van alle gebouwen die zij gebruiken. De rest wordt al gehuurd van derden of samen met andere scholen gebruikt.

Het miljard dat de hogescholen voor de aankoop betalen aan minister Ritzen zullen zij grotendeels op de kapitaalmarkt moeten lenen. Het schoolgebouw en een waarborgfonds van ten minste 200 miljoen gulden dienen daarbij als onderpand. Van het miljard stort Ritzen direct 300 miljoen gulden in het waarborgfonds. Dat geld dient onder andere om de problemen op te lossen van hogescholen die door hun huisvestingslasten in financiële moeilijkheden dreigen te komen. De hogescholen moeten daarna gezamenlijk het fonds op peil houden.

De opbrengst van een miljard staat voor Ritzen vast - als volgend jaar het parlement tenminste instemt met de verkoop van het rijkseigendom. HBO-Raad en minister zijn het er over eens dat de kosten voor de hogescholen zo moeten worden berekend dat elke hogeschool als het ware met dezelfde financiële handicap de stap naar de vrijheid maakt. Voor elke school wordt aan de hand van criteria als soort, ouderdom en bouwkundige staat van de gebouwen en de hoeveelheid grond het te betalen bedrag vastgesteld.

Ritzen verbindt aan de verkoop wel uitdrukkelijk enkele voorwaarden. Zo moeten alle hogescholen meedoen en moeten deze in 1991 - dus nog voordat duidelijk is of het parlement instemt met de verkoop - 480 miljoen gulden op de rekening van het ministerie storten. Dat geld heeft Ritzen nodig om gaten in zijn begroting van dit jaar te dichten.

Belangrijker is dat de hogescholen zich verplichten voortaan af te zien van financiële claims voor huisvesting. Ze worden geacht voortaan zelf in hun kapitaalbehoefte te voorzien. Als vaste vergoeding voor hun huisvestingskosten, waaronder rente en aflossing, houden ze samen jaarlijks 387 miljoen, zo heeft Ritzen toegezegd. Het bedrag zal naar rato van het aantal studenten over de hogescholen worden verdeeld. Ook aan dit bedrag moet het parlement nog zijn goedkeuring hechten.

Volgens Kemner is door deze toezegging elk financieel risico voor de schatkist van de baan. De mogelijkheid dat een bestuur ten onrechte onderwijsgeld in de huisvesting steekt, is volgens hem “pure theorie”. Kemner verwacht niet dat hogescholen zo uit de band springen dat de minister zich gedwongen voelt bij te passen.