Sovjet-Unie kan Westerse hulp nu helemaal vergeten; Staatsgreep haalt streep door hervormingsplannen

DEN HAAG, 19 AUG. Een maand na zijn internationale glorie volgde zijn val in eigen land. Half juli schoof Michail Gorbatsjov in Londen nog aan bij de top van de Groep van Zeven, het exclusieve gezelschap leiders van de zeven machtigste industrielanden, en zinspeelde hij op een uitbreiding tot een Groep van Acht. Gorbatsjov hoopte bij de economische groten der aarde te worden gerekend.

De larmoyante staat van de Sovjet-economie geeft daar geen enkele aanleiding toe. In het eerste kwartaal van dit jaar lag de produktie 10 procent lager dan in 1990 en bedroeg de inflatie 24 procent. Voor heel 1991 wordt gerekend op een inflatie van 100 tot 200 procent. Het begrotingstekort van de centrale overheid had na drie maanden al de omvang bereikt die voor heel 1991 was geraamd. De handel met de landen van de voormalige Comecon, het Oosteuropese handelsblok, was gehalveerd, de importen in harde valuta werden met 53 procent afgeknepen om aan de betalingsverplichtingen van de buitenlandse schuld (51,5 miljard dollar) te voldoen.

“De veranderingen tussen de eerste kwartalen van 1990 en 1991 zijn in alle opzichten dramatischer dan tussen de jaren 1989 en 1990”, constateerde de Europese Ontwikkelingsbank (EBRD) onlangs in een vertrouwelijk rapport.

De top van de G-7 in Londen bood Gorbatsjov een strohalm van internationale steun. Hij kreeg bijstand toegezegd voor de hervorming van sectoren van de Sovjet-economie - landbouw, voedseldistributie, energie en omschakeling van de defensie-industrie naar civiele produktie - , alsmede een speciale band met het Internationale Monetair Fonds en de Wereldbank. Kortom: technische adviezen, maar geen geld.

Een vertrouwelijk rapport van de G-7 ter voorbereiding van de top in Londen schetste de voorwaarden waarop het Westen bereid was tot hulp. Om te beginnen gokte de G-7 volkomen op de persoon van Gorbatsjov en op de succesvolle afronding van het nieuwe Unie-verdrag, het verdrag dat Gorbatsjov morgen zou tekenen en dat een grootscheepse overdracht van economische bevoegdheden van de centrale overheid naar de Republieken inhield. “Geen enkel economisch hervormingsprogramma in de Sovjet-Unie heeft kans op succes zolang de constitutionele betrekkingen en de verdeling van economische bevoegdheden tussen de Unie en de Republieken niet geregeld zijn”, aldus de notitie.

De technische hulp van het Westen zou volgens dit rapport vooral via de Republieken moeten worden verstrekt en zo min mogelijk via de centrale Unie. Dat gold in het bijzonder de steun aan de particuliere sector en aan de privatisering van staatsbedrijven.

Verder stelde de G-7 dat de hulp afhankelijk was van “andere ontwikkelingen” in de Sovjet-Unie, zoals de toestand in de Baltische republieken, de mensenrechten, democratisering, het niveau van de defensie-uitgaven, (nucleaire) proliferatie en de bereidheid van de Sovjet-Unie om met het Westen samen te werken op buitenlands politiek terrein (lees: in het Midden-Oosten).

De staatsgreep van vanmorgen, met de ondertekening van het Unie-verdrag als directe aanleiding, heeft in één klap een streep gehaald door al deze voorwaarden.

Met toegezegde steun van de G-7 leek de Sovjet-Unie eindelijk een begin te zullen maken met de afbraak van de communistische planeconomie. Want president Gorbatsjov had in de afgelopen jaren wel een indrukwekkende lijst van hervormingsplannen laten opstellen, maar daar was tot nu toe nog niets van terecht gekomen. De interne meningsverschillen, beter gezegd de machtsstrijd tussen de Republieken en de Unie, tussen de bureaucraten en de hervormers, tussen de gevestigde belangen van het militair-industriële complex en van de staatslandbouwbedrijven versus de radicale privatiseerders, tussen de partijkaders en de bevolking, hielden ieder samenhangend hervormingsplan tegen.

Terwijl de Sovjet-economie zijn eenparig versnelde beweging richting afgrond begon, stelde de Leonid Abalkin, toen nog de belangrijkste economische adviseur van Gorbatsjov, in oktober 1989 een eerste, radicaal hervormingsprogramma op. Gosplan, het machtigste staatsplanbureau en in theorie de coördinator van een geöliede planeconomie, kwam met een conservatief antwoord gericht op stabilisatie van de economie, niet op hervormingen. De toenmalige premier Nikolaj Ryzjkov formuleerde in december 1989 een compromis, dat al was achterhaald toen het uitkwam.

Het jaar 1990 werd gevuld met plannen en tegenplannen. In februari verscheen een 400-dagen programma van de economen Zadornov en Michailov, in juni aangepast tot een plan voor 500 dagen. Gorbatsjovs nieuwe adviseur Stanislav Sjatalin presenteerde in september een uitwerking van het 500-dagen programma. Sjatalin had een snelle, radicale vervanging van de commando-economie door een markteconomie uitgewerkt.

Ryzjkov kwam met een gematigd alternatief. Wèl hervormen, maar niet radicaal, stelde hij voor. Uiteindelijk formuleerde Abel Aganbegjan, de lijvige economische adviseur an Gorbatsjov, een compromis: de "Fundamentele Richtlijnen voor Economische Stabilisatie en Overgang naar een Markteconomie', beter bekend als de "Presidentiële Richtlijnen', die in oktober vorig jaar na een tumultueus debat in het Sovjet-parlement werden aangenomen.

Maar van uitvoering kwam niets terecht. Begin dit jaar beschuldigde Valentin Pavlov, opvolger van Ryzjkov als premier en één van de sleutelfiguren in de staatsgreep van vanochtend, in goed-communistische traditie buitenlandse kapitalisten van pogingen om de Sovjet-economie te destabiliseren.

Als paniekmaatregel om de zogenoemde roebel-overhang, de reusachtige hoeveelheid papiergeld die in de Sovjet-Unie in omloop is zonder dat er goederen voor beschikbaar zijn, te verminderen, confisqueerde hij een aanzienlijk deel van het spaargeld van de Sovjet-burgers. Alle bankbiljetten van 50 en 100 roebel werden ongeldig verklaard. Voor maximaal 1.000 roebel konden Sovjet-burgers hun spaargeld omwisselen in kleinere coupures.

Pavlov was kennelijk wel van de ernst van de economische chaos doordrongen want in april van dit jaar stelde hij een "Anti-crisis Plan' op. Het omarmde weliswaar de beginselen van een markteconomie, maar het was gericht op stabilisatie van de economie door versterking van de centrale, administratieve controle-mechanismes. Rechtstreekse Westerse hulp wees Pavlov af.

Een maand later lanceerde Grigori Javlinski, de jongste economische adviseur van Gorbatsjov, een nieuw radicaal hervormingsprogramma. Hij had het opgesteld in samenwerking met professor Graham Allison en een groep hoogleraren van de Harvard Universiteit en dit garandeerde wereldwijde aandacht voor het Javlinksi-plan, dat aanvankelijk The grand bargain en later Window of opportunity werd genoemd.

In tegenstelling tot Pavlov zocht Javlinski wèl financiële steun van het Westen bij wijze van compensatie voor het verlies aan welvaart dat ieder hervormingsprogramma in de Sovjet-Unie in zijn eerste fase onvermijdelijk met zich mee zal brengen. Een exact bedrag voor hulp werd niet genoemd, maar uit de tekst viel op te maken dat gedacht werd aan zo'n 150 miljard dollar Westerse steun in een periode van vijf jaar.

Javlinski's plan sloot nauw aan bij de conclusies van een studie die in 1990 was verricht in opdracht van de economische top van de Groep van Zeven in Houston. Deze studie van het IMF, de Wereldbank, de OESO en de EBRD kwam tot de slotsom dat de maatschappelijke en economisiche kosten van geleidelijke hervormingen groter zijn dan van een snelle, radicale overgang naar een markteconomie.

Javlinkski wilde vòòr het einde van 1991 de juridische en politieke basis leggen waarop een markteconomie zou kunnen worden opgebouwd. In 1992 zouden alle prijzen en de handel geliberaliseerd moeten worden en de privatisering van kleine bedrijven hun beslag moeten krijgen. Slechts de privatisering van de grote staatsbedrijven zou tot na 1992 worden uitgesteld. Het betekende een volledige breuk in korte tijd met 70 jaar centrale planning.

Gorbatsjov kwam niet met het Javlinksi-plan in zijn koffer naar de G-7 in Londen, maar presenteerde zijn eigen voorstellen in een lange bedelbrief aan de leiders van de Groep van Zeven. Die waren trouwens absoluut niet van plan de aanbevelingen van Javlinksi en de Harvard-hoogleraren te volgen: ze vonden dat de Sovjet-Unie eerst moest beginnen met hervormingen, voordat van Westerse financiële steun sprake zou kunnen zijn.

Gorbatsjov zelf had de signalen via de diplomatieke kanalen van de G-7 goed begrepen en stelde een hulpprogramma voor dat in grote lijnen overeen kwam met de bereidheid van de Westerse leiders. In Londen konden ze dan ook tevreden samen vaststellen dat de eerste stap naar verdergaande economische samenwerking was gezet. Het was tevens de laatste stap.