Nederland ontsnapt aan recessie

De economische recessie in de Verenigde Staten lijkt over. In Engeland is het dieptepunt wel zo ongeveer bereikt.

Ook in Canada is het einde van de tunnel in zicht. De organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in Parijs voorspelt dat de economieën van de vierentwintig lidstaten - alle Westerse industrielanden, Japan en Turkije - in totaal alweer met tweeënhalf procent zullen groeien in de tweede helft van het lopende jaar en met drie procent of iets meer in 1992. De recessie van 1990-1991 heeft dus selectief toegeslagen: in een aantal landen was sprake van een serieuze economische teruggang, maar in Japan en grote delen van continentaal Europa is de economische groei niet onderbroken.

Daarmee onderscheidt de mondiale recessie van 1990-1991 zich van de twee voorafgaande recessies in de wereldeconomie. In 1980-1982 was de recessie vrij algemeen. Als we de officiële definitie hanteren van een recessie, dat wil zeggen een periode van twee kwartalen of langer dat de economie inkrimpt in plaats van groeit, dan verkeerden in het begin van de jaren tachtig bijna alle OESO-landen, behalve Japan en Frankrijk, wel enige tijd in recessie. Ook de recessie van 1974-'75 was in feite wereldwijd: evenals in 1980-'82 ontsprongen niet meer dan drie à vier OESO-landen de dans.

In tegenstelling tot de twee vorige recessies in de wereldeconomie, waren tijdens de recessie van 1990-'91 de verschillen tussen de landen groot. Volgens de OESO was sprake van een recessie in de VS, het Verenigd Koninkrijk, Canada, Australië, Finland, Nieuw-Zeeland en Zweden, was er daarnaast een groep landen, onder andere Frankrijk en Italië, waar de economie wel duidelijk afzwakte, maar waarschijnlijk net niet verviel in een recessie volgens de officiële definitie, en bleef de recessie uit in Japan, Duitsland, Oostenrijk, België, Nederland, Luxemburg, Spanje, Portugal en Turkije.

Daar zijn wij dus mooi afgekomen, en gelukkig maar, want de Nederlandse sociaal-economische politiek is al moeilijk genoeg bij een normale economische groei. Je moet er niet aan denken hoeveel bitterder de discussie over reorganisatie in ziektewet en WAO nog zou zijn, wanneer intussen ook de Nederlandse economie in recessie zou verkeren, bedrijven nauwelijks nog personeel zouden aannemen en de werkloosheid zou stijgen, zoals in 1974-'75 of 1980-'82. Was het geluk of wijsheid dat de recessie in de wereldeconomie aan ons land voorbij ging? Hadden de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en de andere landen waar de recessie wel toesloeg ook zo fortuinlijk kunnen zijn bij een beter binnenlands beleid?

Er bestaat in de economie niet zoiets als een onafwendbare cyclus, waarbij periodes van economische groei en teruggang elkaar afwisselen volgens een economische wet waar verder niets aan te doen is. We moeten de economie niet vergelijken met een slinger, die langzaam en onherroepelijk van links naar rechts slingert en weer terug.

Onder normale omstandigheden groeit een hoog ontwikkelde economie in het Westen met twee à drie procent per jaar, en in principe kan dat onbeperkt doorgaan. Er moeten al betrekkelijk zware negatieve schokken optreden, wil de economie gedurende twee of meer kwartalen krimpen in plaats van groeien, zodat sprake is van een recessie. Nu zijn inderdaad in de tweede helft van het vorig jaar twee zulke schokken wereldwijd opgetreden. De olieprijs verdubbelde van 16 dollar per vat in het tweede kwartaal van 1990 tot gemiddeld 32,5 dollar per vat in het laatste kwartaal. We weten nog van de recessies in 1974-'75 en 1980-82 hoeveel schade een zo aanzienlijke stijging van de olieprijzen kan berokkenen aan de wereldeconomie. Bovendien werd in de loop van het najaar van 1990 duidelijk dat oorlog op til was in de Golf. De wereld zag er opeens heel onzeker uit, het consumentenvertrouwen stortte wereldwijd in en bedrijven stelden hun prognoses voor 1991 in neerwaartse richting bij.

Achteraf beschouwd bleken die twee negatieve factoren tijdelijk: de olieprijs is weer terug bij twintig dollar per vat, wat niet veel hoger is dan vóór de aanval van Irak op Koeweit, en het militaire optreden van de anti-Saddam coalitie was een groot succes. Vooral de snelle daling van de olieprijzen stond in scherp contrast met de twee vorige recessies in de wereldeconomie. Na de eerste oliecrisis van september 1973 bleven de olieprijzen duurzaam op het nieuwe, hogere plateau en ook na de tweede oliecrisis die begon met de aanval van Irak op Iran bleven de olieprijzen vele jaren hoog. In 1990-'91 duurden de hoge energieprijzen daarentegen maar een paar maanden en dus was die schok op de wereldeconomie veel minder ernstig dan bij de vorige twee energiecrises.

De twee ongunstige ontwikkelingen van 1990 waren kennelijk niet genoeg om de economische groei van de normale twee à drie procent tot onder de nul te drukken. Daarom ontsnapte een groot aantal OESO-landen aan de recessie. Dat in Duitsland en omringende landen zelfs niet zo veel viel te merken van een afnemende economische groei komt door de hereniging van Oost- en West-Duitsland, waardoor de Duitse industrie op volle toeren bleef draaien en bedrijven in Nederland, België en Frankrijk alle kansen hadden om hun marktaandeel in West-Duitsland te vergroten. De extra klap die Amerika, het Verenigd Koninkrijk en een aantal andere landen wel in een recessie deed belanden was een restrictief monetair beleid. In de Verenigde Staten heeft dr. Alan Greenspan vrijwel direct na zijn benoeming in 1987 het groeitempo van de geldcirculatie belangrijk verlaagd. In Engeland moest in 1987 minister van financiën Lawson nog met een onverantwoordelijk ruim monetair beleid bijdragen tot de verkiezingskansen van mevrouw Thatcher, maar is sindsdien ook de overstap gemaakt op een anti-inflatie beleid via de koppeling van Sterling aan de Duitse Mark. Dat betekent nu in Engeland een geforceerd snelle daling van de loon- en prijsspiraal en dus een recessie die nog aanzienlijk dieper is dan in de Verenigde Staten. Het zal de Conservatieve Partij wel een verkiezing gaan kosten, maar voorspellingen van bijvoorbeeld Goldman Sachs wijzen inderdaad op een daling van de Britse inflatie tot vier procent volgend jaar.

Milton Friedman en andere monetaire economen hebben er lang op gewezen dat een recessie maar zelden optreedt zonder dat eerst de Centrale Bank met opzet of per ongeluk de groei van de geldcirculatie heeft afgeremd. De diepte van de recessie hangt er dan van af hoe abrupt de omslag was in het monetaire beleid en welke andere negatieve factoren tegelijkertijd optraden. Tijdens de eerste oliecrisis werden bijna alle industrielanden simultaan getroffen door hogere energieprijzen, dalend consumentenvertrouwen en het begin van een anti-inflatiebeleid. In 1980-'82 viel opnieuw bijna overal - met uitzondering van Japan - de energiecrisis samen met een negatieve omslag in het inflatiebeleid.

De recessie van 1990-'91 was anders. In Duitsland en omringende landen accepteerden de beleidmakers een oplopende inflatie (volgend jaar vier procent in Duitsland en Nederland). Misschien is daardoor volgend jaar wel voor het eerst sinds 1976 de inflatie in Amerika lager dan bij ons. Dat is dan de prijs die wij betalen voor onze ontsnapping aan de recessie van 1990-'91.