Kroaten pogen veldslag met leger te voorkomen

NOVA GRADISKA, 19 AUG. Een Kroatische boze droom lijkt hier, langs de autosnelweg Zagreb-Belgrado, werkelijkheid te worden: het verbreken van de verbinding tussen de Kroatische hoofdstad Zagreb en de oostelijke provincie Slavonië. Nog rijdt, onder begeleiding van overgierende MiG's van het Joegoslavische leger, het verkeer schijnbaar ongehinderd over de vier banen.

In oostelijke richting gaan voornamelijk konvooien van het Joegoslavische leger, teruggetrokken uit Slovenië en op weg naar Servië. In westelijke richting zien we een onafgebroken stroom personenauto's uit, naar hun nummerplaat laat weten, Kroatische steden als Osijek en Vukovar. Het zijn Kroaten die kennelijk niet het moment willen afwachten waarop hun deel van Kroatië aan alle kanten door Serviërs en het leger ingesloten zal zijn.

“Wij denken dat het leger wil doorstoten naar Virovitica”, zegt Zdravko Sokic, chef van de Kroatische Nationale Garde in dit gebied. Hij heeft het over de tankeenheden van het Joegoslavische leger die zich dit weekeinde met geweld - artilleriebeschietingen en een bombardement van vliegtuigen - vanuit Bosnië in noordelijke richting een weg wilden banen naar Okucani, een plaatsje aan de autoweg waar bewapende Serviërs en Kroatische Nationale Garde elkaar sinds vrijdagmorgen hebben bestookt. Het leger zegt in Okucani een einde aan de vijandelijkheden te willen maken, maar de Kroaten zien dat anders. “Hier ligt de westgrens van hun beoogd Groot-Servië”, weet Sokic.

Afgaande op de informaties in dit lokale commandocentrum van de Nationale Garde in Nova Gradiska, waar op de binnenplaats jonge jongens met para-pakken en op gymnastiekschoenen gereed staan om het slagveld op te gaan, is het hier in de buurt de afgelopen 48 uur bijna tot een veldslag tussen de Kroatische troepen en het Joegoslavische leger gekomen - een confrontatie die de Kroatische leiding in Zagreb tot elke prijs wil voorkomen omdat het leger die zeker zou winnen.

Toen de Kroatische politie echter begreep, na een bomdardement op het dorpje Stara Gradiska, dat zij geen kans maakte tegen de tanks die over de Sava Kroatië wilden binnentrekken, nam zij haar toevlucht tot een in dit Servisch-Kroatisch conflict nog ongebruikt middel: het opblazen van bruggen. Aan de Sava zelf was de actie niet zo'n succes, volgens medewerkers van het crisiscentrum. De genie kon met het storten van puin en het leggen van een pontonbrug de tanks doorgang verschaffen, omdat de brug maar gedeeltelijk was vernield. Maar bij de wat noordelijker en hoger gelegen brug over het Strug-kanaal hadden de Kroaten meer succes en kwamen de tanks, voorlopig althans, tot stilstand.

En verder? “Wij zullen het leger niet aanvallen”, verzekert commandant Sokic. “Maar als ze schieten, schieten we terug”. Niet schieten, maar onderhandelen doet hij inmiddels in het door de bevolking verlaten Okucani, waar alle partijen in het conflict een stukje van het dorp in bezit hebben genomen: de Kroatische Nationale Garde, de in legerachtige uniformen geklede Serviërs, die het stadje willen innemen voor hun zelfuitgeroepen "Servische autonome provincie West-Slavonië' en zeventien tanks van het Joegoslavische leger, die uit noordelijke richting het stadje zijn binnengetrokken. Commandant Sokic vreest hen minder dan de eenheden uit het zuiden, die naar verluidt bestaan uit hooggemotiveerde Servische vrijwilligers uit Bosnië. “In Okucani gaat het om jonge jongens, die niet echt willen vechten”, zegt hij.

De ongebruikelijke stap van het opblazen van de bruggen kan worden verklaard uit de grote strategische betekenis van dit nieuwe, vierde front in het Servisch-Kroatische conflict. De Kroatische minister van defensie, Luka Bebic, beloofde zaterdagavond in een televisietoespraak dat dit stukje grond tot het uiterste verdedigd zal worden. Een Servische overwinning hier zou immers tot een opdeling van Kroatië in niet met elkaar verbonden delen betekenen, een gevaar dat overigens ook dreigt bij de stad Zadar, aan de Adriatische kust.

Servische nationalisten schermen met kaarten waarop de Servische westgrens zou lopen van Karlobag (aan de kust), over Karlovac en Sisak tot Virovitica (aan de Hongaarse grens) een gedachte waarmee de opening van dit vierde front wonderwel overeenstemt. Heel Slavonië telt slechts achttien procent Serviërs, maar hier in de buurt zijn ze in sommige dorpen in de meerderheid. Pakrac bijvoorbeeld was vorig jaar al het toneel van Servisch-Kroatische onlusten, maar desondanks lijken de gebeurtenissen van de afgelopen dagen voor de autoriteiten als een verrassing gekomen.

Tien dagen geleden werd een Kroatische politieman op straat vermoord en hoewel - zegt men op het Kroatische crisiscentrum - de Kroatische politie sindsdien de door Serviërs bewoonde dorpen gemeden heeft, om niet te provoceren, nam het geweld zijn loop. De bewoners van de 28 Servische dorpen en gehuchten bewapenden zich en wierpen barricades op, en kregen - nog altijd volgens de Kroaten - na ongeveer een week versterking van militair georganiseerde Serviërs van elders, die de "Servische autonome provincie West-Slavonië' uitriepen. Zij gaven ook de Kroaten in het door Servische dorpen omsloten Okucani een ontruimingsbevel. Toen begonnen vrijdag de vuurgevechten, tussen Nationale Garde en Servische milities, maar ook tussen dorpelingen aan beide zijden die elkaar goed kennen.

Wellicht houdt de Kroatische verrassing ook verband met het feit, dat formeel sinds 7 augustus een staakt-het-vuren van kracht is in Kroatië. Daaronder zijn inmiddels aan de verschillende fronten echter al tientallen doden gevallen, onder wie ten minste vier bij Okucani.

Aan de oostelijke kant van het omstreden gebied heerst inmiddels de angst. In Nova Gradiska staan op de straathoeken, behalve politie en Nationale Garde, ook met jachtgeweren bewapende inwoners van het plaatsje. In Godinjak treffen we slachtoffers van het conflict aan: enkele van de zeshonderd gevluchte inwoners van Stara Gradiska - het plaatsje bij de brug over de Sava dat met mortieren en vanuit vliegtuigen is beschoten. “De kinderen hadden we al met de bus weggestuurd, maar om half drie zaterdag begon het bombardement en besloot onze crisisstaf dat we weg moesten”, vertelt een jonge boer. Slechts heel oude mensen, zoals zijn 78-jarige grootmoeder, bleven achter.

Hoe de situatie er nu voorstaat, weten de vluchtelingen niet. “We weten niet meer dan op de televisie wordt gezegd.” Door bemiddeling van het plaatselijke Rode Kruis zijn ze hier bij onbekenden ondergebracht. Ze zitten maar zo'n beetje, aan de dorpsstraat, werkeloos, en zwijgen, of huilen wat. “We zijn zo bang”, zegt een oudere vrouw snikkend, “dat de Serviërs alles in de as zullen leggen.” Een overhaaste terugkeer behoort niet tot de mogelijkheden: vier oude mensen uit een door Serviërs bezet dorpje bij Petrinja, die af en toe stiekum teruggingen om hun beesten te voederen, zijn dit weekeinde dood teruggevonden, met bijlen bewerkt.