Duitsers begraven Pruisische koningen na lange dwaalwegen; "We hebben onze geschiedenis nodig om de toekomst beter tegemoet te kunnen treden'

POTSDAM, 19 AUG. Het begint weinig "Pruisisch', de terugkeer van Frederik Wilhelm I en zijn zoon Frederik de Grote naar Potsdam.

Zeker, het is zoals gepland klokke elf als de stoomlocomotief uit 1916 met de beide groene, nog oudere, keizerlijke wagons krakend en puffend binnenloopt op het rangeerstation van Wildpark-West, het Kaiserbahnhof. Maar vervolgens is er vanaf de volle perstribune, even lang als de trein, 20 minuten lang slechts gestommel en gedoe te horen in het bagagegedeelte. In het Zuidduitse Hechingen, waar de beide koningen 39 jaar in de kapel van de Hohenzollernburcht waren bijgezet, blijkt men de doodskisten de vorige avond verkeerd om in de trein te hebben gezet. En ze zijn zwaar, die koninklijke kisten, die van de vader 250 kilo, de zinken sarcofaag van de zoon 400 kilo. De acht paarden voor de twee affuiten beginnen onrustig te snuiven, uit de treinraampjes komen camera's te voorschijn. Voor het familie-album.

Dan is de achterkant voorkant geworden, gaan de deuren open, worden ze op de zwarte wagens geschoven en kan de 83-jarige troonpretendent Louis Ferdinand von Preussen, kleinzoon van keizer Wilhelm II, glunderend uitstappen. Hij wordt door de Brandenburgse minister Enderlein met een "welkom keizerlijke hoogheid' begroet. Het militaire muziekkorps presenteert trompet, trombone en trommelstok en brengt het eerste koraal van die dag ten gehore: "Wat God doet, dat is goed gedaan'. Ze staan er wel wat onwennig bij, de begeleidende mannelijke Hohenzollerns, Louis Ferdinands drie zonen en twee kleinzonen, spichtige jongens van elf en vijftien. Ze ogen blij als ze hun volgauto's kunnen instappen en de stoet zich in beweging kan zetten.

Het lopen achter de wagens, voor hun auto's uit, heeft de familie gedelegeerd aan twee lakeien, een lange en een korte, in donkere kostuums. Ze hebben kleine fototoestelletjes in de binnenzak waarmee ze af en toe stiekem een foto maken, want eigenlijk hoort zoiets profaans natuurlijk niet, maar ja, dat familie-album. Ik beland naast hen, en loop maar gelijk op. De agenten, die de opdracht hebben gekregen de journalisten en nieuwsgierigen met souplesse op afstand te houden, laten het zo. Je ziet ze aarzelend denken: ook een zwart pak, ook een stropdas, geen perskaart of fototoestel te zien, die zal er wel bijhoren. Zo wandelen we gedrieën achter de kist van de Grote Frederik tussen de nieuwsgierigen door die zich langs de route hebben opgesteld, bijna zonder uitzondering met fototoestel in de aanslag. Een foto, dat lijkt het belangrijkste oogmerk van de nieuwsgierigen.

De opkomst valt de beide lakeien naast me zo te zien wat tegen, het ontzag en het gejuich ook, en het soepele politiegedrag nog meer.

Bij het Kaiserbahnhof ontmoeten we de eerste opwinding. Een man in doodgraverstenue, met doodshoofdmasker voor, duikt op uit de struiken en overhandigt een pacifistisch vlugschrift, een clown doet kunstjes, een vrouw fietst demonstratief tussen ons door. Vanaf de kant weerklinkt bah- en boe-geroep van hun mededemonstranten, spandoeken omhoogstekend met opschriften als "Leve de Republiek', "Kohl Lijkgraver!', "Maak dat graf nog wat groter, dan kan de hele Bundeswehr erin', en nog zo wat spreuken. Onmiddellijk klinkt daarop gejuich van andere toeschouwers: "Pruisen Leeft! Leve Pruisen!', "Frederik, wij vereren je!' of gewoon "Bravo!'

We passeren de achterkant van het Nieuwe Paleis waar de struiken en de berkjes nog uit het dak groeien. Dat zal spoedig verholpen zijn, want het aantal bedrijven dat de hele ceremonie wilde sponsoren was zo groot, dat er geld zal overblijven voor de restauratie van de vervallen gebouwen.

De stoet achter de volgauto's is inmiddels aangegroeid tot enkele duizenden mensen, er zijn vlaggen en banieren te zien: uit het koninkrijk Pruisen, uit het Duitse keizerrijk, uit het Derde Rijk, alle periodes present. Maar veel vlaggen zijn er niet. Een enkele Frederik-fan dringt door tot diens kist om deze even aan te raken.

Pas als we de Orangerie passeren zien we de serieuzere Pruisenfans, oude heren met zwart-witte stropdassen met ingenaaide kroontjes, dito speldjes en lintjes op het revers, een paar "Burschenschaften', imitaties van de 19de eeuwse patriottische studentenverenigingen. De meeste leden gaan gekleed in slordige, zwarte pandjesjassen, sabel en vaandel in de hand: levende tinnen soldaatjes die op een gekostumeerd bal zijn beland.

Dan splitsen zich de wegen der wagens. De wagen met Frederik Wilhelm rijdt door naar de Friedenskirche, het alternatief voor de Garnisonkirche waar hij wilde worden bijgezet, maar die in de oorlog is platgebombardeerd. Vandaar ook de dwaalweg. In 1943 werden de doodskisten uit de Garnisonkirche naar Görings bunker geëvacueerd, in maart 1945 naar een kalimijn in Bernterode, 563 meter onder de grond. Eind april '45 vonden de Amerikanen ze daar en Washington beval later tot een "Operation Body Snatch': de koningen werden in augustus '46 in alle stilte in de Elisabethkirche in Marburg bijgezet. In 1952 kreeg Louis Ferdinand gedaan dat ze naar zijn burchtkapel werden overgebracht, en sindsdien ijverde hij voor terugkeer naar Potsdam. Van het terrasgraf van Frederik de Grote hoorde hij pas in 1987 toen DDR-leider Erich Honecker de verguisde "militarist' Frederik plotseling weer terug wilde hebben om zijn staat wat te stutten. Na overleg met bondskanselier Kohl wees Louis Ferdinand dit toen af. "Pas na de hereniging', was zijn standpunt.

Wij slaan rechts af door de poort van Sanssouci. Eindelijk wat schermutselingen, want de politie heeft moeite de dringende menigte buiten te houden. Midden op het erehof - het met pilaren omkranste rondeel aan de voorzijde van Frederiks zomerslot dat meestal als achterzijde wordt gezien - plaatsen de tien grijze uniformen van de begrafenisonderneming de kist onder een, in een Potsdamer filmstudio vervaardigd, zwart baldakijn met Pruisische kroon. Vier van hen verwijderen de plasticfolie die de zwartwitte doek, de kleuren van Pruisen, op de kist moest beschermen tegen regen en eieren, en dragen deze, ieder bij een punt, plechtig weg. De lange en de dunne nemen nog wat foto's, dan hebben zij hun plicht gedaan. Stafofficieren van de Bundeswehr, ook al op zoek naar een nieuwe traditie, nemen de erewacht over.

Dan is er, rond enen, even plotseling als onverwachts bondskanselier Kohl. Hij heeft zojuist de bijzetting van de soldatenkoning in de Friedenskirche bijgewoond en is, geheel privé, door het park langs de terrassen omhoog gewandeld. Hij richt zich tot de baar, strekt de rug, zijn gelaat verstrakt - hij herdenkt. Wàt, dat wil hij niet zeggen. “Ik ben hier niet voor interviews”, klinkt het bars. Hij zegt alleen "hartelijk bedankt, mannen' tegen de dichtstbijzijnde politie-agenten en begeeft zich dan even buiten de poort onder de wachtende menigte. "Helmut!, Helmut!', klinkt het daar.

Het defilé der burgers kan beginnen. Alle spandoeken moet men bij de "garderobe' afgeven. De "Burschenschaften' bewijzen met hun sabels de laatste eer, de pacifisten weten met hun open lijkkist tot voor het baldakijn door te dringen, de doodskop strooit rijst rond, de omstanders spreken er schande van. In het slotpark delen homoseksuelen in rococo-kostuum vlugschriften uit. De kinderloze Frederik, die zijn door vader opgedrongen vrouw - "die oude koe' - uit Sanssouci verbande, was immers volgens velen latent homoseksueel. De mensen spreken er nog meer schande van.

Zo krijgen we langzamerhand de indruk dat we, als Kohl er geen politiek tintje aan had gegeven, aanwezig zouden zijn bij iets dat inhangt tussen een folkloristisch dorpsfeest, een demonstratie van Pruisische oude ambachten en een carnaval, maar dan zonder de uitgelatenheid. In de rest van Potsdam gaat het leven intussen gewoon door. Men doet boodschappen of zit in een Biergarten. De meest gehoorde commentaren op de gebeurtenissen rondom Sanssouci zijn: "We hebben wel andere zorgen aan ons hoofd', "Mediaspektakel' of "Politieke poppekast'.

Later die middag vindt in het Nieuwe Paleis de officiële herdenkingsplechtigheid plaats met de bijbehorende ernstige en genuanceerde redes. Helmut Kohl maakt intussen een wandeling op de Berlijnse Alexanderplatz met zijn vrouw. Historicus Christian Graf von Krockow schaaft het beeld van de "soldatenkoning die geen oorlog voerde' wat bij. Natuurlijk, hij was thuis een bullebak. Maar hij was daarbuiten toch vooral een calvinistische burgerkoning die de burgerlijke waarden, waar hij in Nederland zo van onder de indruk was geraakt, via een revolutie van boven in Pruisen wilde doorvoeren. Als zijn zoon zijn werk niet voortzette, was alles voor niets geweest.

Daarom wilde hij van Frederik, met diens culturele, filosofische inslag zijn geestelijke tegenpool, tot een kopie van zichzelf maken, met geweld als het moest, zoals door middel van de gedwongen bijwoning van de executie van een vriend van Frederik. Vanaf dat moment versteende Frederik, begon hij de mensen, en zichzelf, steeds meer te verachten, bleef hij een tijdlang filosoferen met Voltaire, zijn heraut in Europa. Daarnaast bleef hij fluit spelen tot zijn tanden er uit vielen. Maar hij deed wel wat zijn vader wilde, namelijk bijna een halve eeuw koning zijn, onder het motto: "Het is niet nodig dat ik leef, wel dat ik mijn plicht doe'. Zo was hij, zeker in zijn beginjaren, met zijn verlichte ideeën over een "maakbare samenleving' met als basis de rechtstaat en tolerantie, de modernste koning van Europa, toegejuicht door alle progressieve intellectuelen. Krockow concludeerde over deze fascinerendste van alle Duitse koningen: “Met het afscheid van een laffe, gelogen glorificatie kunnen we een bron van Duits onheil vergrendelen. Wat ons daarna rest is een nieuwe mogelijkheid de bewondering de ruimte te geven”.

De Brandenburgse minister-president Manfred Stolpe zei: “We hebben onze geschiedenis nodig om de toekomst beter tegemoet te kunnen treden (...) We zullen Pruisens positieve tradities, tolerantie, rechtsstaat, verder voeren. En we zijn driest genoeg te denken dat deze Bondsrepubliek nog voor verbetering vatbaar is. Daartoe brengen wij ook onze erfenis mee”. Prins Louis Ferdinand beperkte zich tot het uitspreken van zijn "innigste dank' voor de aanvaarding door de deelstaat Brandenburg van de zorg voor de stoffelijke overschotten.

Nadat de laatste van de vele tienduizenden burgers om half negen 's avonds de baar zijn gepasseerd, is het een paar uur stil op het erehof. Buiten de hekken, waar de schijnwerpers de pilaren als bomen tegen het bos projecteren, zijn nog slechts enkele honderden nieuwsgierigen overgebleven voor de apotheose. De 1.500 politie-agenten en soldaten zijn er nog allemaal. Tegen middernacht, precies 205 jaar nadat Frederik, zittend in zijn stoel, aan zijn laatste hoestbui bezweek, tillen de dragers de kist op, maken een rondje rond het slot en begeven zich naar het oostelijke, door zes bustes van Romeinse keizers omkranste, rondeel.

Frederik schreef in zijn vier testamenten dat hij als filosoof had geleefd en als filosoof wilde sterven, dat hij daarom slechts bij het schijnsel van een lantaarn en door niemand gevolgd op het terras tussen zijn windhonden begraven wilde worden. De graftombe had hij al in 1744 laten aanbrengen, nog voor de eerste steen van zijn zomerverblijf was gelegd. Zijn hele periode in Sanssouci keek hij er vanuit zijn werkkamer op uit.

Nu is er behalve de familie toch iemand die coûte que coûte in zijn voetstappen wil treden, Helmut Kohl. Terwijl het Potsdamer politie-orkest de oude Pruisische triomfhymne 'Nun danket alle Gott' speelt en aansluitend de treurmars "Fridericus Rex' die Louis Ferdinand speciaal voor deze gelegenheid heeft gecomponeerd, laten de dragers de kist - waarbij ooit, in 1805, tsaar Alexander I en Frederik Wilhelm III hun alliantie tegen Napoleon sloten en waar een jaar later diezelfde Napoleon triomfantelijk maar vol bewondering voor "Frederik de Veroveraar' stond - zakken in de tombe. Historicus Kohl staat er bij en knippert opvallend vaak met zijn ogen. Denkt hij aan "het wonder van het Huis Brandenburg', toen de Russen plotseling van vijanden vrienden werden tijdens de Zevenjarige Oorlog?

Na het vertrek van de Hohenzollerns en de bondskanselier dalen twee dragers de twaalf treden af, schuiven een staalplaat over de sarcofaag, en daarover heen acht betonplaten. Een gardenier legt er aarde over heen en rolt het opgerolde gras erover uit.

De volgende ochtend doet een steenhouwer het laatste werk. Hij plaatst een zandstenen gedenksteen in het gras, met de inscriptie "Friedrich der Grosse' er op. Rudolf Böhm heet hij. Hij heeft de sierlijke cursieve letters gegraveerd: “In de DDR mochten we altijd slechts over "F-2' spreken. Eindelijk mogen we weer Frederik de Grote schrijven”. En Frederik de Grote zelf? Hij was misschien opgestaan uit zijn graf bij het zien van dit mediaspektakel, maar hij is waar hij wezen wilde en wat hij wilde zijn. Immers, toen zijn vriend markies d'Argens suggereerde het slot Sans Souci te noemen, zei hij, wijzend op het graf: “Als ik daar lig, zal ik zonder zorgen zijn”.

Zo zijn na een dwaalweg zonder weerga de Pruisische koningen Frederik Wilhelm I en Frederik de Grote weer thuis in Potsdam: de eerste vroom in de kerk, de tweede goddeloos in de tuin van zijn zomerslot Sanssouci, onder het gras, tussen zijn elf windhonden.

De dwaalweg van de sarcofagen was het "symbool voor de dwaalwegen die in Duitsland ingeslagen zijn', zo sprak Manfred Stolpe in een gedenkrede. “Aan de rand van de weg die wij nu zijn ingeslagen, die van het gemeenschappelijke democratische Duitsland, kunnen de beide koningen eindelijk tot rust komen.”

Voor Stolpe en zijn regering trad de rust pas gistermiddag in, toen de laatste herdenkingsdienst was afgelopen, de ongenode gast Helmut Kohl weer was vertrokken en men kon terugkijken op een reeks plechtigheden waarop het volk volgens Stolpe "verbazingwekkend normaal en gelaten' had gereageerd. Er waren lang niet de verwachte honderd- tot tweehonderdduizend bezoekers - het bleef bij tienduizenden - en serieuze rellen vielen niet te registreren, de gevreesde nationalistische roes al helemaal niet.

Voor de Duitse neo-nazi's, die afgelopen weekeinde elders in de Bondsrepubliek te keer gingen om Rudolf Hess te gedenken blijkt nazi-Duitsland nog altijd een aantrekkelijker aangrijpingspunt dan de "soldatenkoning' en zijn grote zoon, van wie een op de twee Duitsers voor zaterdag niet eens wist dat ze ooit hadden bestaan. Dat weten ze nu, dank zij Kohl en de media, ongetwijfeld wel.

Pessimistische prognoses als van historicus Sebastian Haffner - “Deze nieuwe dag van Potsdam is een verontrustend antwoord op de vraag wat het nieuwe Duitsland wil zijn, een vergrote Bondsrepubliek of het Duitse rijk, het Vierde Rijk” - werden in Potsdam zelf afgelopen weekeinde dus niet bewaarheid. Of de koninklijke terugkeer zal leiden tot een positievere identificatie met het eigen verleden, Hitlers "Dag van Potsdam' wat zal doen verbleken, en de Duitse eenheid voor de zoveelste keer zal bezegelen, dat is nog niet uit te maken. Het niet-Pruisische deel van Duitsland reageerde met opmerkelijke skepsis, cynisme en bezorgdheid op deze "schijnvertoning'. Een ZDF-commentator sprak zelfs van "balkanisering van het Duitse gevoel'. Een onthutste Stolpe: “Alsof we weer op het punt staan ze te overvallen!”.

Balkanisering of niet, de nuchtere welwillendheid die de terugkeer omringde, lijkt te wijzen op vergroting van het historische zelfbewustzijn van veel Duitsers. En dat was, daarover is bijna iedereen het wel eens, één van de redenen dat Helmut Kohl naar Sanssouci reisde.

Foto: De sarcofaag met het stoffelijke overschot van Frederik de Grote wordt in Potsdam uit een oude treinwagon getild na aankomst vanuit duitse Hechingen. Hier was het na de Tweede Wereldoorlog bijgezet in het stamslot van de Hohenzollern-familie. (Foto Reuter)