De Man Die Niet Meer In De Rij Wou Staan

“Of ik u het geheim wil vertellen hoe het mij als illegale Rus lukt om in Holland een prettig leventje te leiden en zelfs dollars te sparen voor een voortzetting van de reis naar het Land van de Onbegrensde Mogelijkheden?”

Deze zin sprak ik in het Nederlands uit tegen mijn medemoscoviet, journalist van Novostijournaal, die niet, zoals ik, in vijf maanden maar in vijf jaren de Nederlandse taal had geleerd.

Dat was de eerste van de drie voorwaarden, die ik mijn vriend Sam Hippo had gesteld toen die mij op het Damplein vroeg of ik zijn Sovjetcollega een vraaggesprek wou toestaan. We moeten Nederlands spreken. De tweede voorwaarde gaat u niet aan. De derde voorwaarde was: vijftig dollar.

En voor de halfhonderd dollar zou ik de klassevijand mijn geheim vertellen, zodat hij me óf thuis belachelijk kon maken óf duizenden Epigoniërs achter mij aan zouden komen? Ik besloot een antwoord te geven dat goed klonk, en te zwijgen over de vernederingen van het leliekoppen, het wachten voor de deur van een vriendin-die-me-de-huissleutel-niet-toevertrouwde, het in de tram altijd betalen, de buikpijn voor iedere man in uniform, en mijn baantje van vandaag.

“Mijn geheim is zo simpel als een gesnoten neus. Wat is de fout van bijna iedere dief? Dat hij inbreekt in huizen van armen. Wat is de fout van haast elke consument? Dat hij in de rij gaat staan bij andere aspirant-kopers. Wat is de fout van de vrouw? Dat zij zich met vriendinnen omringt. Dat heeft allemaal geen nut. Welnu. Ik blijf weg van andere illegalen. Ik laat me niet in met kleine criminelen. Ik mijd armen als de pest. Mij zie je niet bij mannen. Daarom ben ik geslaagd.”

“Nooit heimwee naar huis?”

“Welk huis? Die halve kamerhoek bij die kleretante...”

Nee, dit was verkeerd. Een Rus klaagt niet tegen een Rus over Rusland. Die man wil wat nieuws horen.

“Nooit zal ik Moskou vergeten (op de wijs van een populair liedje). In Rusland dacht ik nooit aan Rusland. Hier steek ik meer op over Het Grote Vaderland dan thuis. Ze weten hier alles van Jeltsin en hoe die lui verder ook heten. Er is een merkwaardig medelijden met de Russen. Niet dat ik daar geld uit peur hoor.”

“Hoe dan wel?”

“Dat zeg ik toch net. Ik sluit me aan bij rijke eerlijke Hollandse vrouwen. Daar was ik de was, kook ik de pot, zuig ik de vloer, open ik de fles, pas ik een nieuw overhemd, poets ik een schoen, water ik de plant, zet ik de zak buiten, haal ik de krant, trap ik de kat.”

“Kun je wat langzamer praten?”

“Ik trap de kat en ik klop de mat, ik boen de trap en ik zoen me slap.”

“Wat vindt u van de houding van de Hollandse regering inzake de positie van de illegale buitenlanders?”

“Wat krijgen we nou? Vraag je aan een gek wat-ie vindt van de gestichtsdirecteur? Vraag je een hond wat hij vindt van zijn baas? Ik sta geheel achter de oproep van Kok om alle illegalen het land uit te smijten; maar ik heb het hem al twee maanden niet horen roepen. Ik sta geheel achter Kosto die me 250 gulden biedt als ik het land wil verlaten maar ik hoor er niets meer van. Ik sta geheel achter Hirsch die Nederlanders die mij herbergen, wil bestraffen. Ik zou als ik rijk was ook geen armoedzaaiers in mijn huis laten, tenzij om de muur te verven. En nu gaan ze invalide Marokkanen naturaliseren! Slaat nergens op. Nederland voor de Nederlanders: dan is er voor mij nog wel een gaatje.”

“Ik dank u voor dit gesprek.”

“Vijftig dollar zal je bedoelen, broer.”

En ik ging snel terug naar de haven waar ik de binnenkant van een tankschip schoonkrab.

wordt vervolgd