Zelfkant-toerisme in het Chelsea Hotel, New York; "Just forget the crazy weekend'

De post-punker die op rolschaatsen de hotellift uitkomt, laat een scherpe marihuana-geur achter. De reuk vermengt zich met het eau de toilette van een jonge prostituée in lingerie-look. Een man met holle ogen bekijkt haar van top tot teen, zijn grijns ontbloot twee gouden voortanden.

Wie in New York gebruik maakt van het totaalpakket van het volle leven, boekt een kamer in het Chelsea Hotel, aan de 23ste straat tussen de 7de en de 8ste Avenue. De malligheid van de grote stad leidt er een vanzelfsprekend bestaan, en hotelgasten die niet terugschrikken voor een vleugje zelfkant-toerisme, kunnen vaak terugzien op een geslaagd verblijf.

Dat was al zo toen het Chelsea, gebouwd in 1883, nog een befaamde halte was voor pioniers uit de literatuur, beeldende kunst en rock - zo befaamd dat het in 1966 een officieel monument werd. Achter de gevel van roze baksteen en fin de siècle ijzerwerk kwamen bejubelde kunstwerken tot stand en speelden zich liederlijke taferelen af.

Vaste gasten als Eugene O'Neill, Dylan Thomas, Arthur Miller, Edith Piaf, Andy Warhol, Willem de Kooning, Jimy Hendrix, the Grateful Dead, Jefferson Airplane, Janis Joplin, Pink Floyd, Bob Dylan en wie al niet, namen hun zeden en gewoonten mee. Toen de aan heroïne verslaafde Sex Pistols-bassist Sid Vicious in 1978 in het Chelsea zijn vriendin Nancy fatale messteken toebracht, wisten de drughonden van de politie er al goed de weg.

Anno 1991 is het hotel meer een bedevaartsoord voor de artistieke achterhoede en een vaste woon- en verblijfplaats voor werkende echtparen, verpleegsters, junks en prostituées. De helft van de 300 kamers is permanent bewoond. Een studio kost 2.000 tot 3.000 gulden per maand, en dat is weinig in Manhattan.

Bohémiens wonen er nog steeds: de Italiaanse fotograaf Umberto Menzinger von Preußenthal en zijn vriendin Shizo, videomakers, een tv-actrice en enkele schilders. Af en toe logeren hier ook the Fat Boys, een rap-band, en "Country' Joe McDonald, zanger van prairieliedjes, maar de internationale sterren van nu rijden "de Weduwe van de 23ste straat' voorbij, op weg naar The Plaza of het Hilton.

Volgens de hotelleiding, al 33 jaar in handen van eigenaar Stanley Bard, houdt "de mystiek' van het Chelsea de klandizie op peil. Tv-ploegen brengen de legende graag in beeld, al is het verval onomkeerbaar. Van de oorspronkelijke Victoriaanse stijl is weinig meer te zien, als gevolg van een aantal verbouwingen. Het interieur is verweerd en het achterstallig onderhoud groot.

De lounge heeft de inrichting van een oude hasj-sociëteit: overal moderne schilderijen, platte bankjes waarop gasten zich te ruste leggen en grauw tapijt waarin verscheidene substanties een bed van zwarte koek hebben gevormd. Vanachter een soort treinloket blikt assistent-manager Jerry Weinstein, een vijftiger met ongestreken hemd, zijn gasten tegemoet.

De gereserveerde kamer blijkt op deze vrijdag om een uur 's middags nog niet gereed. “Go have some coffee”, adviseert Weinstein en wijst naar buiten. Het hotel heeft geen bar. Anderhalf uur later is de kamer klaar. “We moeten alleen nog even de sleutel bijmaken”, zegt Weinstein.

Kamer 725 is een ruime driepersoonsstudio met kookgelegenheid, afgebladderd plafond waarop de schilderingen zijn verdwenen onder een veelheid aan verflagen en een badkamer met vergeelde fontein en kuip. Op de kamerdeur zitten vijf sloten waarvan er twee in werking zijn. Dat alles voor de bescheiden som van 230 gulden per nacht.

Een dag later is de lobby, om zeven uur 's avonds, een toneel van verwarring. Achter het treinloket staat een jonge Indiër met tulband die in een stapel papieren rommelt, vergezeld door een hispanic die in een portofoon ratelt. Voor de twee belendende liften staan rijen wachtende gasten. Pas wanneer de lobby is volgestroomd, wordt de Indiër de situatie gewaar en zegt: “Weet u het nog niet, de liften zitten vast”.

Eenmaal in kamer 725 aangekomen blijkt geen elektricteit meer voorhanden. Per telefoon brengt de Indiër een nieuwe tijding: “De elektriciteit is op vijf etages (van de elf, red.) uitgevallen.” Elektriciëns dachten het euvel, ontstaan door een massaal gebruik van de airconditioning, binnen twee uur te repareren, maar het gaat langer duren.

Hoe lang?

“Ehh...waarschijnlijk...vijf of zes dagen.”

De Indiër weet niet of er een andere kamer beschikbaar is. “Ik werk hier nog maar drie weken. Belt u over twee uur nog eens terug.”

Tien minuten later heeft zich voor het treinloket een oploopje gevormd. Verscheidene vaste bewoners vragen de hispanic of zij wellicht kaarsen moeten kopen. Een bezorgde hotelgast wil weten of er brandtrappen zijn. “Natuurlijk”, zegt de hispanic, “stomme vraag.” De gast die 's middags om drie uur in het hotel is aangekomen, besluit elders onderdak te zoeken. De tulbanddrager checkt intussen nieuwe gasten in en zwijgt over het elektriciteitsprobleem. Hij kijkt wanhopig, zijn handen trillen.

Plotseling komt een man van begin dertig, in jeans en met baseball-cap, de lobby ingelopen, luid roepend: “Kijk nou wat ik op de trap gevonden heb. Levensgevaarlijk”! Hij draagt werkhandschoenen en houdt een tang vast. Daartussen steekt een heroïnespuit. De vinder laat menig goddam volgen. Een vrouw van middelbare leeftijd, die bij een van de kwartjes-telefoons staat, onderbreekt haar gesprek en zegt: “Dat gaat al tien jaar zo. Ze zijn hier veel te goed voor junks en hoeren.”

Weinig hotelgasten nemen aanstoot aan de vondst. Wanneer de deuren van één van de liften weer opengaan, banen zich twee mensen onverstoorbaar een weg door de drukte: een new-wave-aanhanger met haardoek, hotpants en motorbril, met aan de hand een racefiets, en een hoogbejaarde stijlvol geklede schilderes met strooien hoed. De één gaat fietsend naar buiten, de ander strompelend.

De Indiër zit intussen weggedoken in een hoek achter de balie. Hij weigert te zoeken naar een nieuwe kamer voor de bewoners van 725. De suggestie dat er moeilijk betaald kan worden voor een kamer in de duisternis, verricht wonderen. IJzig werpt hij de sleutels van een andere studio door het loket.

Na een geslaagde bevrijdingspoging door de hispanic uit de dienstlift, die gedurende vijf minuten op en neer raast van de tiende naar de eerste etage, wordt - met enige oplettendheid - via het trappenhuis alsnog de zevende verdieping bereikt. In het donker staat de ontdekker van de heroïnespuit te praten met een oudere vrouw, in trainingsbroek, met brede bovenarmen. Ze is bodyguard en heeft vorig jaar in haar eentje een schietende bewoner op straat gezet. “Als je hier ooit problemen hebt, kom je maar naar mij.”

Enige uren later is er weer overal elektriciteit. De Indiër is een ander mens geworden en vraagt vriendelijk: “Tevreden met uw nieuwe kamer?”

Bij het vertrek op maandagochtend biedt assistent-manager Jerry Weinstein in het voorbijgaan zijn excuses aan: “Just forget the crazy weekend.”

"De Weduwe van de 23ste straat', Foto Sandra Onghena