'Waarom hebt u uw snor afgeschoren?'

Wie benieuwd is naar de toepassing van het strafrecht in Nederland, kan zich bij de rechtbank vervoegen. Zittingen zijn in beginsel openbaar; rechtspraak wordt als een publieke zaak beschouwd.

De behandeling van de Leidse parkeermoord begon met een verzoek om aanhouding. De verdediger wou een bepaalde getuige laten oproepen, want deze had iets anders gezien dan alle andere getuigen en God zij dank, zei hij, geldt hier niet de macht van het getal.

De rechtbank besliste afwijzend. Bedoelde getuige, oordeelde zij, was genoegzaam gehoord door de rechter-commissaris. Het was niet aannemelijk dat hij ter zitting een andere verklaring zou afleggen dan die welke al op papier stond.

""Dat vind ik geen eerlijk proces'', zei de verdachte, waarop de presidente antwoordde dat dat dan jammer was.

Mustafa Y. (24) bleek een slanke jongeman met mooi haar. Uit zijn gezicht viel weinig op te maken. Zijn houding neigde naar beleefde minachting. Misschien zat er angst onder.

Op een zaterdagnacht in april zou hij op de Beestenmarkt in Leiden in conflict zijn geraakt met de 27-jarige Peter de Klein, die hem te vlug af was bij het bezetten van een parkeerplaats. ""Ik maak je af'', hoorde Peters vrouw hem zeggen. Ze was vier maanden zwanger.

Y. had alcohol en cocaïne gebruikt.

""Van het schieten'', vroeg de presidente, ""herinnert u zich alleen dat u knallen hebt gehoord?''

""Ja mevrouw.''

""U hebt niets gezien?''

""Nee mevrouw.''

""Waarom bent u dan in paniek weggerend?''

""Omdat ik dacht dat er op mij geschoten werd.''

""U weet niet waar u stond en uit welke richting die schoten kwamen?''

""Nee mevrouw.''

""Waarom hebt u uw snor afgeschoren?''

""Dat ging per ongeluk.''

""Ja'', zei de presidente, ""het zijn uw verklaringen.'' Daarna begon ze aan een bloemlezing uit hetgeen door getuigen tegenover de rechter-commissaris was verklaard.

Y. zou het slachtoffer apart hebben genomen. Hij liet hem zijn pistool zien. Hij schoot vijfmaal in de grond. Het zesde schot was op De Kleins borst gericht en doorboorde hart, longen, lever en nieren. Maar niemand had het precies gezien, niemand stond er met zijn neus bovenop. En dan was er één getuige, die zei dat er nu juist niet door Y. geschoten was.

Verder: Y. hield zich die nacht gedeisd. Hij keerde niet terug naar zijn BMW of naar zijn zwangere vriendin in Utrecht (""Is het kind inmiddels geboren?'' ""Ja mevrouw.'' ""Is het gezond?'' ""Ja mevrouw.'' ""O.''). De volgende dag begaf hij zich naar Amsterdam. Hij liet zich andere kleren bezorgen en hing zijn leren jasje weg in een shoarma-zaak. Hij schoor zijn snor af, veranderde zijn kapsel en besprak plannen om via Frankrijk weg te komen naar Turkije. Verschillende getuigen hoorden hem pochen ("weerzinwekkend macho-achtig'), dat hij die ander mooi een lesje had geleerd.

Tot zover de samenvatting door de presidente. Vragen? Geen vragen. Het woord is aan de officier.

""Wat ben je voor iemand”, vroeg de officier, “als je iemand anders op zo'n beestachtige manier neerknalt? Zijn er verzachtende omstandigheden? Ik heb ze niet kunnen vinden en verdachte heeft me ook alle lust ontnomen ernaar te zoeken.”

Hij sprak over moord, een koele afrekening, intimidatie van getuigen en een levensgevaarlijke killer, die zijn eigen wetten stelt.

""Uit welke cultuur men ook komt'', zei hij, ""in Nederland kan men alleen wonen als men zich houdt aan de wetten en normen van de Nederlandse samenleving.'' Mede daarom eiste hij twaalf jaar.

Moord, dat veronderstelt "met voorbedachten rade'. Je vraagt je af of een tijdsverloop van een paar minuten daarvoor voldoende is. Had een interessante discussie kunnen zijn, maar die werd geblokkeerd doordat Y. ontkende. Zodoende werd ook nagenoeg niets vernomen over een handgemeen, over een scheldpartij met racistische componenten.

Y.'s raadsman had dus niets om op terug te vallen, behalve die ene getuige, die toch wel heel pertinent iets anders verklaarde dan andere getuigen.

""Ik ben onschuldig'', zei Y. ""Ik wil gewoon rechtvaardigheid.'' ""Ik sluit het onderzoek'', zei de presidente. ""Uitspraak op 20 augustus om halftien 's morgens.''

Dit is de gewone gang van zaken. Rechtbank, officier van justitie, raadsman van de verdachte: drie partijen die zich met elkaar onderhouden op basis van hun kennis van de dossiers. Zelden krijg je het gevoel dat ze proberen elkaar te overtuigen, laat staan dat ze proberen jou, het publiek, te overtuigen.

En dan was het deze keer, afgezien van die ene tegensprekende getuige, nog vrij overzichtelijk. Vaak wordt ter zitting gerefereerd aan rapporten uit de reclassering of de psychiatrie, waaraan je alleen maar de indruk overhoudt dat er nog veel meer speelt dan de drie partijen aan de openbaarheid wensen prijs te geven. Om nog maar te zwijgen over presidenten die mompelen, of publieke tribunes die zo zijn gesitueerd dat zelfs de duidelijkste president onverstaanbaar is.

Zo verlaat zelfs de geoefende rechtbankverslaggever het Paleis van Justitie doorgaans met een knagend gevoel van twijfel. Je weet niet wat er gebeurd is, je moet maar vertrouwen op de wijsheid van de rechter.

En dan nog iets. Je hebt de moeite genomen de behandeling van de Leidse parkeermoord persoonlijk bij te wonen. Je grijpt de volgende dag naar de krant om te kijken wat van hetgeen je hebt meegemaakt tot het nieuws gerekend wordt. Je stelt vast dat zowel in de Volkskrant (ANP-bericht) als NRC Handelsblad (eigen verslaggever) elke verwijzing naar de etnische achtergrond van de verdachte zorgvuldig gemeden wordt en dat verbaast je, want dat was toch wel iets dat opviel, iets dat relevant leek. Maar zo is het: zoals de rechtbank je in bescherming neemt tegen een ongezonde belangstelling voor misdaad, zo behoedt de kwaliteitskrant je voor je geheime neigingen tot discriminatie. Dit alles natuurlijk in volle oprechtheid en met de beste bedoelingen. Dat is nu precies wat paternalisme zo onuitstaanbaar maakt.