Voorn steelt de show in Rotterdam en gooit olie op vuur bij ruiters

ROTTERDAM, 17 AUG. De Nederlandse springsport kan niet kapot. Althans, sportief gesproken. Zelfs het gouden EK-jaar 1977 van Nooren en Heins, was niet zo succesvol als 1991 tot nu toe. Maar het succes kan niet zo groot zijn, of de interne ruzies vieren hoogtij. Ook tijdens het belangrijke CHIO in Rotterdam, de wedstrijd die steeds meer allure krijgt en zich met het veelzijdige etiket Rotterdam Horse Show wil gaan sieren, kwamen er springruitercontroverses aan de oppervlakte. Het lijkt wel alsof interne problemen inherent zijn aan een sport, die in een groeiende belangstelling staat en waarbij er meer belang wordt gehecht aan prestaties die door een toenemend aantal ogen wordt bekeken.

Gisteren maakten de Nederlandse springruiters hun favorietenrol na het Europese teamgoud in La Baule tijdens de Landenwedstrijden van Rotterdam weer helemaal waar. Na twee manches stond Nederland met een totaal van slechts één springfout ex aequo met Frankrijk aan de kop. Er was een barrage nodig om de winnaar aan te kunnen wijzen. Wereld- en Europees kampioen Eric Navet vergiste zich in het barrageparcours en stond dus al meteen buiten spel. Na drie overtuigende foutloze ritten werd de Landenwedstrijd in het voordeel van Nederland beslecht. In het landenteam deze keer naast Lansink, Raymakers en Tops ook Albert Voorn met de schimmel Oisterwijks Opstalan. De getergde ruiter die ten gunste van Emiel Hendrix gepasseerd werd voor het EK-team, stak zijn emoties tijdens de Nederlandse titelstrijd twee weken geleden in Den Haag niet bepaald onder stoelen of banken. “Die gouden teammedaille is me simpelweg ontstolen”, zo luidde zijn kernachtige mening, “slechts drie keer waren prestaties van Hendrix en mij vergelijkbaar omdat we in hetzelfde parcours uitkwamen. Dat gold voor twee parcoursen in Aken en voor de Grote Prijs van Arnhem. In alledrie de wedstrijden presteerde ik beter. Ik ben dus ten onrechte gepasseerd.”

In Rotterdam waren de rollen echter omgedraaid. Bondscoach Hans Horn oordeelde dat de nog jonge Optiebeurs Aldato van Hendrix geen goede vorm demonstreerde en zo stond Hendrix tijdens de Landenwedstrijd op zijn beurt met kromme tenen aan de kant te kijken hoe Voorn allerminst een slecht figuur sloeg. Voor de aanvang van zijn barrageparcours had Albert Voorn nog de tegenwoordigheid van geest om spoorslags naar de koninklijke loge te galopperen om koningin Beatrix namens het gehele Nederlandse springruiterteam beterschap met haar been te wensen. Dat ontlokte bij Hare Majesteit en haar omgeving gelach en applaus. De uiting leek een toonbeeld van sportieve Nederlandse eensgezindheid, maar niets is minder waar.

De heren springruiters waren voor Rotterdam slechts over één zaak niet verdeeld: over het feit dat zij Albert Voorn niet in het team wensten. Er moesten diplomatieke gesprekken aan te pas komen met Voorn, bondscoach Horn en met de voorzitter van de Federatie van Springruiters, Henk van Tuyl, om Voorn alsnog een teamplaatsje te laten innemen. Een belachelijke zaak, want sinds wanneer maken de springruiters de dienst uit? Bovendien is juist de koelbloedige sterke bondscoach met zijn vele contacten de figuur bij uitstek die zich aan geen mening iets gelegen laat liggen, behalve aan die van hem zelf. Het feit dat Horn in het geval Voorn een uitzondering maakte is daarom eigenlijk onverklaarbaar.

Het is niet voor het eerst dat Voorn in een conflict betrokken raakt. Toen hij drie jaar geleden uit Aken vertrok na een meningsverschil met toenmalig bondscoach Henk Nooren over het inzetten van zijn toppaard Concern, gooide hij ook de kop in de wind. Dat kostte hem 90.000 gulden aan sponsoring door de Optiebeurs. “Ik meende in het belang van het paard te handelen. Ik had geen spijt en wilde dat later ook niet zeggen. Eerlijkheid wordt niet altijd gewaardeerd. Ik ben vaak een tijd echt kapot na zo'n voorval en wil acuut met de springsport stoppen. Maar als ik mijn hart gelucht heb ben ik het kwijt. Haatdragend ben ik dan niet meer”, zo blikt Voorn terug, die overigens het missen van de Optiebeurs als sponsor aan teamgenoot Hendrix verwijt. Voorns contacten met collega-ruiter Jan Tops boteren niet erg omdat stilist Voorn de onorthodoxe rijwijze van Tops niet erg kan waarderen, zeker niet wanneer er een paard van hem zelf in het geding is. Toen Piet Raymakers zich door Tops een keer voor het karretje liet spannen om het paard Goldika van Voorn los te peuteren, werd ook Raymakers in de negatieve hoek geplaatst. Zo blijven alleen de contacten met prijsruiter Lansink van onbesproken aard. “Maar wie kan er nu niet goed overweg met Lansink?”, stelt Voorn zelf retorisch.

Albert Voorn is inmiddels allerminst onder de indruk van de perikelen. “Je kunt het een kleuterklas vinden met ruzie, voor mij is het feitelijk wel motiverend. Springruiters zijn stuk voor stuk uit op individueel gewin. Maar als vierde man in een team rijd je zowel voor het gezamenlijk belang als onder de druk dat je van de vier teamleden niet de slechtste wilt zijn. Daarom krijg ik een kick van het rijden van een landenwedstrijd. Een overwinning is fantastisch. Zolang ik nog meer kans heb op teamoverwinningen dan op een individuele zege zal ik blijven strijden voor een teamplaats.”